Djarama

Dalama, Guinee, 8 februari – 14 februari 1997.

-On Djarama. Goedendag.
-On Djarama. Goedendag.
-Tana ala ton. Hoe gaat het.
-Diantoun. Alles gaat goed. (letterlijk: vrede)
-Denghouré e djawoulé. Gaat alles goed met uw familie.
-Nö Sotoudh. Gaat het goed.
-Alhamdoulilahi. Dank u wel.
(onderdelen van een begroeting in Pular)

De Toyota Landcruiser van de FAO rijdt stevig door over de onverharde weg van Dalaba, Guinea naar de dorpen waar Willem Roodenburg en zijn team een irrigatieproject opzetten.
Dalaba ligt in de Fouta Djalon, een bergachtig gebied waar in de regentijd ontzettend veel water naar beneden komt. In die tijd verbouwt de locale bevolking rijst. In de droge tijd gebeurt er weinig. Voor de FAO alle reden om aan de gang te gaan.
Willem is expert genie rural, maar bovenal een ronde Hollander die ongeschikt is voor een baantje van negen tot vijf, binnen vier muren. Ik kwam hem tegen in Hotel Tangama en na een Hollandse begroeting, een koud pilsje aan de bar, raakten we in gesprek over Afrika, computers en zijn werk.
‘We willen hier in Guinea niet meer van boven af allerlei grote technische werken neerzetten. Als we wat willen doen, moet dat voorkomen uit de bevolking zelf.’ En daarna vroeg hij mij mee voor een daagje ontwikkelingshulp.


Willem bij het stuwmeertje

Tijdens de rit is er veel te zien, de chauffeur heeft zijn favoriete band opgezet. Willem en ik praten over zijn project.
‘Neem het irrigatieproject waaraan ik werk. Dat moet door het hele dorp gedragen worden. Maar net zo belangrijk is de steun van de oude mannen die de baas zijn.’
Wat Willem verteld is voor mij heel herkenbaar. Zijn manier van werken lijkt sterk op de projectgewijze manier van werken in de informatica, mijn vak. Als hij praat over de oude mannen in het dorp die er achter moeten staan, vertaal ik dat in het topmanagement. De bevolking van een dorp, dat zijn mijn gebruikers van een computersysteem. Een veranderingsproces in Afrika werkt niet anders dan in Nederland.
Stel,’ zegt hij. ‘Je vraagt aan jongeren wat hun probleem is en hoe je dat moet oplossen. Dan zeggen ze dat er niks te doen is en dat ze een voetbalveld willen.’
Hij lacht en wijst naar de vrouwen die in het veld werken.
‘Maar het echte probleem is dat er geen werk is, geen inkomen. Dus geen toekomst. Je moet ze van die betere oplossing overtuigen.’
‘En als dat niet lukt.’
‘Als de oude mannen van het dorp zeggen dat hun armoede Gods wil is en dat je dat moet accepteren, dan heb je geen keus. Dan moet je ergens anders heen gaan, daar waar wel een wil tot verandering is.’
‘En we proberen geïntegreerde oplossingen te zoeken. Dus als de grond arm is, zoals hier, dan in principe niet met chemische fertilizers werken, maar proberen de mest van de dieren ervoor te gebruiken. En als je het vee op stal zet, is het niet alleen goedkoop, maar je lost meteen ook het probleem van de diefstallen op.’
‘Ik wil kleine constructies bouwen, met lokale materialen en technieken. Zodat ze het zelf kunnen onderhouden en repareren.’
De Toyota komt aan bij een klein stuwmeertje.
‘Niet groot,’ zeg ik.
Willem wijst terwijl hij een rode pet opzet met een mini zonnepaneeltje dat een klein ventilatortje in de klep in werking zet. Het rode hoofd wordt er niet minder vurig om.
‘Het loopt twee kilometer door. We kunnen flink wat hectaren bevloeien.’
Er loopt wat water aan de voorkant weg, de dam werkt niet honderd procent.
‘Vorig jaar onderhielden wij het nog, toen was de dam volledig waterdicht, maar nu is het hun eigen verantwoordelijkheid.’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Mijn werk is vijftig procent technisch en vijftig procent sociaal.’

werken in het veld

Aan een vrouw in het veld vraag ik wat ze ervan vindt.
‘In het begin was het moeilijk. We moesten werken zonder dat we wisten of het wat op zou leveren.’
Ze buigt voorover en wijst naar de groene tomaten aan de planten. Ze lacht. Haar gebit vol gaten. ‘Maar nu zien we de resultaten en zijn we gelukkig.’
‘Vorig jaar zijn we begonnen met verbouwen,’ zegt Willem. ‘In het eerste jaar hebben we twee hectaren, twee velden, geplant. Aardappelen en tomaten. Dit jaar 10 hectaren en volgend jaar vijfentwintig.’

We lopen het aardappelveld in, er zijn plekken waar de planten het heel erg goed doen, maar een stukje verderop zijn ze dood. Iemand had na het bevloeien de schuifjes niet dicht gedaan. En men wist nog niet dat ook teveel water niet goed kon zijn.
Er komen wat mannen aan lopen. Willem komt niet zo veel meer langs. De man die het schuifje open liet staan is er ook bij. Meer als de helft van zijn planten doen het goed en hij is tevreden. Bij de dode stukken lacht hij schaapachtig. Hij zal deze fout niet snel meer maken.
We schudden handen, On Djarama, en lopen terug naar de dam.
‘We kunnen vier van de zes droge maanden ermee overbruggen,’ zegt Willem. ‘Genoeg tijd voor een oogst terwijl ze vroeger in deze tijd alleen maar hun voorraden opaten.’
Vanuit het dammetje stroomt het water naar een hoofdkanaal, die een secundair kanaal voedt.
‘Bamboe,’ wijst Willem. ‘Vroeger werden hier PVC-buizen voor gebruikt.’
Het secundaire kanaal voedt de velden, met een hoofdkanaal en vele zijkanaaltjes, langs de planten. De vrouwen vandaag, gisteren de mannen, leiden het water met behulp van rietpollen. ‘Er zijn veel veranderingen. Irrigatie. Andere plantensoorten. Veel onbekende technieken, die ze moeten leren. Werken op het land in een periode die ze vroeger gebruikten voor onderhoud.’


tomaten

De bewoners van het bergachtige gebied Fouta Djalon in Guinea behoren tot de Peul en als zij elkaar tegenkomen begroeten zij elkaar uitgebreid in Pular, hun taal. De groet is een reeks vragen, tegenvragen en antwoorden. Soms enthousiast, soms routinematig uitgesproken. Maar als je als blanke begint met On Djarama levert dat meestal een vrolijke lach op.
In de meeste zwart Afrikaanse landen zijn nog veel traditionele gemeenschappen. Tot voor een paar generaties, voordat de Europeanen besloten Afrika onderling te verdelen, waren volk of stam, dorp en uitgebreide familie de structuren waarbinnen het leven en de economie zich afspeelden. Ondanks het wapengekletter, de rechte grenzen en de overal aanwezige flesjes Coca Cola is dat nog steeds de basis waarop veel zwarte Afrikanen leven. Als je wat wilt veranderen zal je dat als uitgangspunt moeten nemen. Als de sceptische Duitser Jost, die het allemaal eerst wel eens wilde zien, tijdens de lunch hoort dat goede technici nog steeds welkom zijn als vrijwilliger bij de FAO, aarzelt hij geen moment. Hij vraagt meteen om adressen. En ik. Ik ben eventjes een beetje minder nihilist.

Dalaba, tip
Hotel Tangama

Een goede plek om uit te rusten. Dalaba ligt in de bergen van de Fouta Djalon, op zo’n duizend meter hoogte. ‘s Nachts koelt het dan ook goed af. Je kan hier prachtige wandelingen maken. En hotel Tangama is betaalbaar en heeft een heel mooi terras. De eigenaar is, ondanks zijn sarcasme, een vriendelijke man. Alleen het eten is er (te) duur, maar dat kan ook in de stad.


Hotel Tangama

Grenzen

Koumbia en Labé, Guinee 5 – 8 februari 1997

In de loop van de middag komt het minibusje aan in Gabú, in het oosten van Guinee Bissau. Van hieruit wil ik naar Guinea.
Het afscheidsfeestje van de avond ervoor zoemt nog een beetje na in mijn hoofd. Het Peace Corps ging terug naar Mali en de Australiërs Fiona en Andre moesten terug richting Senegal.


feestje met ter plaatse in jampotten gebrouwen bier

De reisgids schrijft dat de reis van Guinee Bissau naar Guinea moeizaam is en dat het niet gemakkelijk is om vervoer te krijgen.
Ik ben nog niet uitgestapt of een onopvallende man van achter in de veertig benadert me. Hij is al wat kaal en heeft een oud bruin pak aan. Oury Kaly Sow wil alles voor me regelen.
‘Naar Guinea Conakry,’ vraagt hij. Hij lacht vriendelijk en toont een gouden tand.
Ik knik. ‘Misschien.’ Het is beter om voorzichtig te zijn. ‘Wanneer gaat er een taxi brousse naar Labé?’
‘Morgen,’ zegt hij ‘En misschien vanavond ook een.’
We praten wat en het wordt me al snel duidelijk dat er in feite maar één mogelijkheid is, dezelfde avond nog met een aftandse terreinwagen de grens over naar Koumbia, Guinea. Daar overnachten in een hotel en de volgende dag verder naar Labé.
‘Maar ik wil eerst wat eten en drinken,’ zeg ik.
Oury neemt me op sleeptouw naar een restaurantje. Een geldwisselaar, een magere jonge man met kort haar en een heel zwarte huid, loopt mee.
Halverwege de middag is er alleen rijst en vlees, koud. En het bier is lauw, maar de trip heeft me hongerig en dorstig gemaakt, ik laat het me goed smaken.
‘Hoeveel kost de reis naar Labé,’ vraag ik Oury.
Hij begint te rekenen en komt uit op vijfentwintig duizend Guinese Francs. Een bedrag dat me niks zegt omdat ik de recente wisselkoersen niet ken. En ik moet een hoop pesos van Guinee Bissau wisselen als ik deze avond ga. Maar zowel Oury als de wisselaar zijn vriendelijk en lijken op een redelijke manier zaken te willen doen. Er komen hier in Gabú niet zoveel branco’s, blanken, en wie weet heeft het daar ook mee te maken.
Uit de reisgids haal ik de koers van twee jaar geleden en het onderhandelen begint. Ik schrijf de getallen op en als ik tussendoor de koers van de franse franc vraag klopt die er vrij nauwkeurig mee. Om te beginnen wissel ik een klein bedrag.
‘Je kan me vertrouwen,’ zegt Oury en langzamerhand kom ik erachter dat het ook zo is.

Mohammed, de chauffeur van de aftandse Russische terreinwagen, zegt dat hij nog één passagier mist om te vertrekken. Als ik de helft meer betaal dan krijg ik de rechtervoorstoel helemaal voor mijzelf. Het is vier uur in de middag, ik heb gegeten, ik wil wel weg.
‘Akkoord,’ zeg ik. Ik weet dat het een moeizame trip wordt en het kost me maar elfduizend Guinese Francs, zeventien gulden, extra.
Ik betaal en neem plaats, maar Mohammed is plotseling nergens te bekennen. Een half uur later zie ik hem.
‘Wanneer vertrekken we,’ vraag ik.
‘Een aantal passagiers is er nog niet,’ zegt hij. ‘We zouden oorspronkelijk pas om zes uur vertrekken, vandaar.’
Ik ga in de schaduw onder een boom zitten. Een jonge man wil zijn Engels op mij oefenen en spreekt over zijn droom om naar Europa te verhuizen.
‘Er is geen toekomst hier,’ zegt hij.
‘Het is moeilijk in Europa,’ vertel ik hem. En ik praat over de grote werkeloosheid, taalproblemen en dat het niet eenvoudig is om aan de goede papieren te komen.
‘Alleen daar zie ik een toekomst,’ herhaalt hij.
Het maakt me triest. Miljoenen Afrikanen dromen over Europa, ze leren talen en sparen geld. Maar een klein aantal haalt Europa, waarvan het grootste gedeelte weer verdwijnt in de illegaliteit, met zijn tienen op een klein kamertje. Verkopers van rozen ‘s nachts in de cafés. Ik vertel hem dit. Zijn gezicht licht op.
‘Geld verdienen, ja, dat wil ik.’
Europa en Afrika grenzen aan elkaar, maar de afstand is enorm. Een paar honderd gulden bij elkaar gescharreld in Europa is hier een enorm kapitaal.

Weer komt Mohammed op me af. Geagiteerd.
‘Je moet niet zo ongeduldig zijn,’ zegt hij.
‘Hoezo,’ vraag ik verbaasd, maar hij is al weer verder gelopen.
De jongen met wie ik over Europa heb gepraat, gaat op onderzoek. Het is inmiddels zes uur en we staan nog steeds stil op de garage, het stuk zand onder de bomen waar vandaan de taxi’s vertrekken.
‘De taxi vertrekt pas na zevenen, na het einde van de karen, het vasten,’ vertelt hij even later.
Voor zevenen beginnen de vrouwen voor de hutjes rond de garage het eten klaar te maken. En vlak na zevenen, na het einde van de karen, wordt er gegeten.
Om halfacht begint het wachten weer, want Mohammed is nergens te vinden. Ik ga op zoek naar hem. Tegen achten ontstaat er tumult. In het donker herken ik Mohammed en een aantal van zijn passagiers. Ik loop er op af.
‘De taxi gaat niet,’ zegt een van mijn medereizigers, een oude man met maar één goed oog. Hij is boos. Er blijken nog een heleboel meer plaatsen niet verkocht te zijn. Mohammed’s passagiers bestaan niet.
Een andere man komt op me af, hij stelt zich in het Engels voor als Lamin. Hij is chauffeur van de Landrover, die een tiental meters verderop staat. De motor loopt al en de koplampen werpen bundels licht over de verder donkere garage. Hij gaat ook naar Koumbia, ik kan met hem meerijden.
‘Ik zal alles voor je regelen,’ zegt hij.
‘Ik wil eerst mijn geld terug,’ zeg ik, plotseling weer voorzichtig. Er gebeurt dan weer van alles. Sommige van mijn oorspronkelijke medepassagiers zijn niet zo tevreden en achtervolgen Mohammed. Er blijkt een vertegenwoordiger van een staatsvakbond van taxichauffeurs te zijn, die iedereen probeert te sussen. Lamin pakt mijn rugzak van de Russische terreinwagen en plaatst het bovenop zijn Landrover.
‘Instappen,’ zegt hij tegen me en wijst op de laadbak van de Landrover waar onder het zeildoek drie bankjes staan. Er zitten al een twintigtal mensen boven op elkaar gepakt.
‘Eerst mijn geld terug,’ zeg ik koppig. ‘Ik heb extra betaald aan Mohammed.’ Er vormt zich meteen een kring om ons heen en ook de vertegenwoordiger van de vakbond komt erbij staan.
‘Je kan de vakbond vertrouwen,’ zegt hij.
Lamin knikt, hij is een jonge, vriendelijke man. ‘We regelen het morgenochtend allemaal in je hotel.’
De discussie in het Frans wordt woord voor woord vertaald in de locale taal.
‘Ja, ja,’ zeg ik. ‘En als ik wakker wordt.’
Er wordt gelachen en ik krijg wat goedkeurende tikjes op mijn schouder van omstanders. Iedereen begint zich ermee te bemoeien en na een paar minuten sleept de man van de vakbond me mee naar een hut waar wat licht is van een petroleumlamp. Met tegenzin geeft hij mij het hele bedrag terug. Aan Lamin geef ik meteen het geld voor de trip naar Koumbia. Maar het extra geld wat ik betaald heb zit nu weer in mijn eigen portemonnee. Behalve de staatsvakbondsman lijkt iedereen tevreden.
Lamin sleept me meteen mee naar zijn voertuig.

‘Instappen,’ zegt hij.
Maar in de laadbak van de Landrover is geen plaats.
‘Waar,’ vraag ik. Lamin kijkt en ziet dat daar wel een grond van waarheid in zit.
‘Je krijgt een goede plaats,’ zegt hij en zo’n tien mensen moeten uitstappen.
Hij wijst naar een jonge vrouw op de houten bank aan de rechterkant van de laadbak, tegen het zeildoek. Met tegenzin stapt ze uit. Ik klauter in de laadbak en neem haar plaats in. Ik voel me een beetje opgelaten omdat ik niet weet of deze vrouw een andere plek krijgt.
Daarna stapt iedereen weer in en er moet gepropt worden. Bij het licht van zaklantaarns vinden ze een plek. Op mijn bank is er op bilhoogte geen millimeter meer vrij en op schouderhoogte moet de een naar voren en die ernaast naar achteren zitten. De beenruimte moeten we delen met de mensen die schrijlings op het bankje in het midden zitten. Als iedereen eindelijk zit is iedere centimeter bezet. In het laadbakje zijn twintig volwassenen, een kind en drie baby’s gepropt. In de cabine zitten er ook nog vier en er hangen nog drie jonge mannen aan de achterkant. Boven de laadbak, op het dak, in het rek, torent de bagage metershoog.
Om halfnegen vertrekken we.

De Landrover hobbelt in het donker over de overharde weg. Het is pikdonker achterin. Stof en zand waaien naar binnen. Als ik over mijn rechterschouder kijk, zie ik tussen het zeildoek door in het licht van de koplampen dat we over heuvelachtig terrein rijden. Regelmatig rijdt de auto door een diepe kuil en worden we achterin door elkaar heen geschud. Het is stil in de bak, alleen mijn rechterbuurvrouw kreunt.
Even gaat er een zaklantaarn aan en ik zie haar van pijn vertrokken gezicht.
‘Ze is erg ziek,’ zegt een stem aan de andere kant en het licht gaat weer uit. Ik ben een van de mensen op mijn bank die naar voren hangt, met mijn ellebogen op mijn knieën en mijn tas op schoot. De vrouw naast me kreunt harder als we weer door een kuil gaan en ze laat haar hoofd op de achterkant van mijn schouder rusten. Soms grijpt ze met haar hand mijn arm en knijpt, het kreunen wordt dan even minder.


rivieroversteek

Na de grenspost aan de kant van Guinee Bissau rijden we al een uur in Guinea, maar daar ik heb nog geen grenspost van gezien. Is dit niemandsland, ik weet het niet. Als we weer stoppen blijkt het nog steeds geen grenspost te wezen. Wel stappen we uit. De weg loopt dood in een rivier. Ik heb geen lantaarn bij me dus loop ik voorzichtig achter een medepassagier aan en laat me door hem bijlichten. Boven me is de sterrenhemel in volle pracht te zien. Orion, de melkweg. Andere sterrenbeelden, onbekend voor mijn noordelijke ogen.
Lamin, de chauffeur, staat bij het water. Hij roept en zwaait met zijn lantaarn. Na een paar minuten krijgt hij antwoord. In de verte bewegen twee kleine lichtjes. De overkant van de rivier is niet te zien in het donker, laat staan iets op de andere oever.
Het bewegen van de lichtjes doet me aan iets denken, maar ik weet niet wat. Pas als ik een ketting hoor ratelen weet ik het weer. Dit is de voorstelling van de Dogtroep, die ik in Carré heb gezien. Maar nu in het echt, in de jungle van Guinea. Er volgen meer geluiden, zoemend en schurend. In het donker zie ik alleen het zwaaien van de twee lichtjes.
Na een paar minuten hoor ik plonzen van water en even later verschijnt de pont. Een kleine vierkante bak, voortbewogen met handkracht, een ketting die door een tandwiel loopt.

Aan de overkant klimmen we weer in de Landrover, allemaal op onze eigen plaats. De vrouw naast me lijkt opgeknapt. Ze heeft nu een van de baby’s op schoot. Ik vraag me af of het kind van haar is. Het hoeft niet want er is die Afrikaanse gewoonte dat tijdens het vervoer alle vrouwen gezamenlijk voor de kleine kinderen zorgen. De baby’s huilen niet en laten zich gelaten van schoot tot schoot verplaatsen.
Bij de eerste kuil krimpt de vrouw ineen en meteen wordt het kind van haar schoot gehaald. Haar hoofd rust weer tegen de achterkant van mijn schouders.

Een half uur later stoppen we weer.
‘De grenspost,’ zegt Lamin.
Ik ben blij want de laatste kilometers ging het niet goed met mijn buurvrouw. Haar nagels staan in mijn arm. Ik weet niet wat ik er mee aan moet. In Europa zou ik een ambulance geroepen hebben, maar die zijn hier niet. Ziekenhuizen ook niet. Moet ik haar helpen. Kan ik haar helpen. Vragen die door mijn hoofd spelen terwijl zij in mijn arm knijpt. In het niemandsland tussen Guinee Bissau en Guinea besef ik hoe gemakkelijk het is om hier te sterven.

We lopen in het donker door een dorpje. Tien hutten rond een pleintje. Bij drie ervan brandt een kaars op een tafeltje. Het kaarslicht geeft het dorpje een sprookjesachtige sfeer.
Maar achter tafeltjes met koopwaar zitten vrouwen met vermoeide gezichten. Ik kijk op mijn horloge en in het kaarslicht zie ik dat het half een is. Sommige winkels sluiten niet.
Aan het eind van het pleintje gaat de weg naar links en daar is een hutje en een slagboom. De grenspost. Voor het hutje staat een grote tafel met een olielamp. Op de grond op een matras liggen twee vrouwen en ernaast brandt een vuurtje. Achter de tafel zit een man in een uniform en een andere man wijst ons er naar toe. Uit de cassettespeler op tafel klinkt treurige Afrikaanse muziek.
Ik pak mijn paspoort en geef het aan de man in het uniform. Hij draait het wat om en bladert erin. Hij kijkt me aan, vragend.
Ik pak het paspoort weer en open het op de pagina waar mijn moeilijk verkregen visum is ingeplakt.
‘Visum,’ zeg ik en maak een stempelende beweging met mijn hand.
De andere man loopt het hutje in en rommelt wat in een la. Hij komt terug met een stempel en een stempelkussen. Na een paar keer oefenen op een blaadje papier is de man in het uniform tevreden en zet een stempel in mijn paspoort en schrijft er een datum bij. Die van gisteren. Ik krijg mijn paspoort terug.
‘Wie is dit,’ vraag ik de man en wijs op de cassettespeler.
Hij lacht.
‘Dit is Guinese blues,’ zegt hij. ‘Dimba Camara.’ Even bewegen zijn schouders mee met de muziek. ‘Hij is al een tijdje overleden.’

Als de Landrover wegrijdt is mis ik de zieke vrouw. Woont ze daar, aan de grens. Ze is de enige zover ik kan zien die niet meer meerijdt.
Een uur later rijden we Koumbia binnen. Er branden nog vuurtjes en ik eet wat brochettes, vlees aan een spies, bij een hutje. Het is tegen drieën.
‘Waar is het hotel,’ vraag ik Lamin. Die zwaait wat met zijn armen en wijst daarna naar een stuk schuimplastic dat voor het hutje op de grond ligt.
‘Je kan daar slapen.’


Koumbia Hilton

Even later lig ik er, naast Lamin en een andere passagier. Er zijn gelukkig geen muggen. Voordat ik in slaap val, vraag ik me af hoe het met de zieke vrouw gaat.

 

Tropisch paradijs

Guinee-Bissau, Bissau en Bubaque, 30 januari – 5 februari 1997

De taxi schokt en stoot. Ik ben op zoek naar een hotel in Bissau. De hoofdstad van Guinee Bissau is een vervallen stad. De Portugezen lieten vijfentwintig jaar geleden een verarmd en door de oorlog verwoest land achter. Sindsdien is er een hoop verbeterd, er is elektriciteit, er is onderwijs, er zijn doktoren. Maar in de stad staan ook de skeletten van in verval geraakte gebouwen, in de haven liggen half gezonken schepen. Slechts een gedeelte van de straten is verhard. Niet dat het veel uitmaakt, door de vele gaten in het wegdek zijn ook deze amper te berijden.


Bissau, haven

Ik moet bezuinigen, maar er zijn niet echt goedkope hotels in Bissau. Ik bekijk er een aantal en besluit uiteindelijk de nacht door te brengen in Pensao Central. Het is vlak bij de haven waar ik morgen de boot naar Bubaque wil pakken.
Het hotel bevindt zich op de eerste en tweede verdieping van een oud koloniaal gebouw, boven het kantoor van een luchtvaartmaatschappij. Ik loop de buitentrap op naar de brede overdekte balustrade van de eerste verdieping. Aan de voorkant van het gebouw kan je er zitten, aan campingtafeltjes op witte kunststof stoelen. Aan de achterkant staan de deuren van de eetzaal open. Aan de twintig lange tafels binnen zit niemand maar op de balustrade staat ook zo’n tafel en er zit een kleine oude Portugese vrouw. Ze heeft een enorme tas op haar schoot en haar ogen kijken waakzaam in het rond. De bazin, het kan niet anders. Een zwarte ober komt op me af en ik vraag om een kamer. Hij wijst met zijn hoofd naar de vrouw, ik loop naar haar toe en herhaal de vraag. Ze schrijft een bedrag op. Zevenhonderdduizend pesos. Vijfendertig gulden per nacht.
Ik wil de kamer zien en de ober loopt met me mee de trap op naar de tweede verdieping. Ik ben moe en kijk niet goed rond. Ik accepteer de kamer. Later blijkt er voor de acht kamers van dit hotel slechts één badkamer te zijn en in die badkamer maar één toilet. De douche doet het niet. Maar dat weet ik allemaal niet, ik geniet op de eerste verdieping van een koud pilsje.
Om vier uur ‘s middags gaat de bank open en ik moet geld gaan halen. Het is mogelijk geld op te nemen met een creditcard en dat lijkt me een goed idee. Ik ga in de rij staan en na een kwartier word ik geholpen door een zorgvuldig opgemaakte Portugese vrouw van in de veertig. Ze heeft prachtig gekapt zwart haar. Rode lippen. De transactie vereist een enorme administratie. Er worden een aantal formulieren ingevuld, een creditcard slip wordt afgedrukt, kopieën gemaakt van mijn paspoort. Ik zet overal mijn handtekening. Ze is na vijfentwintig minuten gereed en ik kijk haar verwachtingsvol aan. Mijn miljoenen zullen nu snel komen.
‘Mañana,’ zegt ze en loopt naar de volgende klant.
Ik ben verbaasd en denk even het niet goed verstaan te hebben.
‘He,’ zeg ik. ‘Mijn geld.’
‘Morgenochtend,’ antwoordt ze kordaat. ‘Misschien,’ zeggen haar ogen.
Ik schud mijn hoofd en vertel haar dat morgenochtend mijn boot vertrekt.
‘Annuleren dan maar,’ vraagt ze. Ik knik en in twee tellen scheurt ze alle formulieren door. Maar ik heb geld nodig en pak een aantal travellers cheques en toon die haar.
‘Vandaag,’ vraag ik. Ze knikt en heel kalm begint ze weer haar formulieren in te vullen.
Tien minuten later heb ik mijn vier en een halve miljoen pesos. Vierhonderd vijftig biljetten van tienduizend. In pakketten van een miljoen. Mijn portemonnee kan enige honderdduizenden bevatten, omgerekend ongeveer vijfentwintig gulden. Het is gemakkelijk om in dit land ieder dubbeltje om te keren. Ze hebben niks anders.
De oude vrouw van Pensao Central ruikt dat ik geld bij me heb. Ik moet meteen betalen. Ik wil zelf het geld tellen maar dat mag niet. Ze roept en er verschijnt een zwart jongetje met een intelligente blik in zijn ogen. Hij grijpt een miljoen en begint te tellen. Twee keer telt hij de zeventig biljetten. Voor de moeite geef ik hem zo’n biljet. De oude vrouw schuift met een geroutineerde armbeweging de zeven ton voor het hotel, en niet eens op de Kalverstraat, in de tas op haar schoot.

‘s Nachts, op mijn kamer als het licht uit is, komen de muskieten snel. Pensao Central heeft geen muskietennetten en ik kruip maar diep onder de lakens. Het tweepersoonsbed kreunt vervaarlijk en zakt nog wat verder door. Ik draai en draai maar ik kan geen positie vinden waarin ik comfortabel kan liggen. Een muskiet zoemt in mijn rechteroor. Ik zwaai ernaar met mijn hand. Het bed kraakt. Ik sta op en zoek mijn antimuggen stick en wrijf ook mijn oren in. Maar ik ben te laat, in mijn oor vormt zich al een bult. Het kreng heeft toch genoeg tijd gehad om te bijten. Ik ga weer liggen, doe het licht uit, ik draai en het gezoem rond mijn hoofd begint weer. Het bed heeft nu de vorm van een kuil en ik moet me er aan aanpassen. Ik ben nu helemaal bedekt met de lakens maar een mug vindt een vrije vinger en steekt.
Weer sta ik op. Het is half een en ik heb nog geen oog dicht gedaan. In het licht van de lamp zie ik niks. Ik besluit mezelf als prooi op het andere bed, een eenpersoonsbed, uit te zetten. De muskieten komen wel kijken maar ik ben niet snel genoeg om wraak te nemen. Het eenpersoonsbed is harder en comfortabeler dan het tweepersoons en ik verhuis. Ik pak ook de lakenzak, die ik bij me heb en ik verdwijn er helemaal in. Muskieten kunnen me nu niet meer vinden, maar het is heet in de zak. Het zweet loopt in stroompjes langs mijn lijf. Binnen een paar minuten is alles doorweekt. Maar als ik even mijn neus buiten de lakenzak toon, begint meteen het gezoem. Ik geef de voorkeur aan de natte hitte.
Om drie uur word ik weer wakker. Buiten de zak hoor ik gezoem, maar ze kunnen er niet bij. Mijn rug doet pijn omdat een paar veren in het matras kapot zijn en naar buiten steken. Ik vind twee posities waarin ik kan liggen zonder er last van te hebben, maar als ik slaap draai ik automatisch in positie drie, van kapotte veer naar kapotte veer.
Om halfvijf, na weer een uur slaap, moet ik naar het toilet. Dat betekent licht aan, kleren aan, schoenen aan. In de badkamer staat het water inmiddels een centimeter hoog, maar voor mijn bergschoenen gelukkig geen probleem.
Maar ik neem me voor om op de terugweg van Bubaque een ander hotel te kiezen.

De veerboot Sambuia naar het eiland Bubaque, in de Bijagos Archipel vijftig kilometer uit de kust, vertrekt de volgende middag om twee uur. Een uur voor vertrek ben ik aanwezig. Het is al behoorlijk druk op de boot. De Sambuia maakt de reis maar een keer per week en ze vervoert niet alleen passagiers maar ook vracht. Het schip heeft een redelijk voordek waar zo’n honderd mensen gestouwd kunnen worden, tussen kratten en stapels hout. Het achterdek is iets duurder, je kan er zitten op houten banken, hier vertoeven de blanken. Beide dekken zijn overspannen met zeildoek. In het begin is het dringen omdat iedereen een plaatsje zoekt tussen de rugzakken van de toeristen en de zakken, kisten en koelboxen van de locale bevolking. Verschillende verkopers bieden drank en eten aan. Lege bierflesjes, er is alleen Portugees bier in wegwerpflesjes, worden zonder pardon en massaal overboord gegooid. Een protest van een Amerikaans meisje, die voor het Peace Corps in Mali werkt, levert alleen verbaasde blikken op.
De boot vertrekt op tijd en in het zog van het schip drijven honderden Portugese bierflesjes.
Johnny, een Fransman van achter in de vijftig, grijnst als hij zijn flesje overboord gooit.
‘De bodem van de zee tussen Bissau en Bubaque is bedekt met flesjes.’
Op het voordek is muziek. Cubaans. De Portugese achtergrond van Guinea Bissau verloochent zich niet. Je hoort hier niet alleen Afrikaanse muziek maar ook Cubaanse en Braziliaanse.
Na een tijdje begin ik mensen te kennen. De Amerikaanse vrijwilligers van het Peace Corps uit Djenné, Mali. Op vakantie voor een paar dagen. De Australiërs Fiona en Andre uit Adelaide, natuurlijk.
Johnny, de Fransman, die een goedkoop hotelletje heeft op Bubaque.
Op het voordek is het dansen begonnen. Een zwarte vrouw heeft een jerrycan gevonden die haar bevalt. Ze drumt er de rest van de reis op. Ze staat voorovergebogen en houdt de jerrycan vast tussen haar voeten. Ze schuifelt tussen de dansers mee en slaat de meest ingewikkelde ritmes. Vrouwen, in kleurrijke Afrikaanse gewaden, dansen en zingen. Maar een paar mannen dansen mee.
Een voor een beginnen ook de blanken mee te dansen. Het bier vloeit, de zon daalt langzaam en het feest wordt heftiger.
Een jong meisje begint wat vaak in mijn buurt te verschijnen. Ze heeft een hartvormig gezicht, donkere amandelvormige ogen. Ronde billen en puntige borsten. Ze is heel jong maar de erotiek straalt van haar gezicht.
De jonge vrouw van het Peace Corps vraagt haar om haar leeftijd.
‘Dertien,’ antwoord ze en ze kijkt me indringend aan.
Johnny geeft me een les in Afrikaanse relaties. Hij werkte vroeger bij de Franse spoorwegen en was heel actief in de vakbond. Na zijn pensioen vertrok hij naar Afrika en heeft inmiddels een Senegalese vrouw, met wie hij samen het hotel drijft.
‘De vrouwen hier trouwen jong,’ legt hij uit. ‘Tussen zestien en achttien. Als ze een man kunnen krijgen. Er is een groot vrouwenoverschot en voor een vrouw die niet getrouwd is en in haar eigen onderhoud moet voorzien zijn maar weinig mogelijkheden. Er is geen werk, vaak is prostitutie de enige uitweg. Daarom accepteren vrouwen dat ze de tweede of derde echtgenoot van iemand worden. Maar het liefst hebben ze een blanke. Die heeft geld en behandelt ze ook nog beter.’
Vanaf de andere kant van het dek kijkt het jonge meisje me met haar amandelvormige ogen aan. Het gezang op het voordek wordt heviger, even later dans ik ook en gooi de lege flesjes bier overboord.


Bubaque

In het donker komen we op Bubaque aan. Ik ga met Johnny mee naar zijn hotel Cadjoco. Awa, zijn vrouw, heeft het eten al klaar. Schapenvlees en aardappelen, op zijn Afrikaans. Portugese wijn. Tafels tegen elkaar. Cadjoco is een paradijs in een paradijs.
Die avond slaap ik voor het eerst in tijden ongestoord. De eenvoudige kamertjes zijn heerlijk koel na de hitte van Bissau en Ziguinchor. Er zijn wel muskietennetten en amper muskieten. Het bed ligt heerlijk. Vlak voor ik in slaap val hoor ik in de verte trommels en vrouwen, die zingen. Ik realiseer me dat ook ik niet aan Afrika kan ontkomen.

Bubaque, tip


Cadjoco

Ik kwam Johnny al tegen in Bissau en daarna zag ik hem op de veerboot. Een oudere Fransman. Gepensioneerd en nu samen met Awa een hotelletje in Afrika in plaats van achter de geraniums. Nooit te oud om opnieuw te beginnen. Cadjoco is goedkoop en heel leuk. De pizza’s zijn er nog steeds erg lekker.

 

Casamanche

Ziguinchor, Senegal, 26 – 30 januari 1997

De Casamanche is een groot deltagebied in Zuid-Senegal. Er zijn mangrovebossen, vogeleilanden en prachtige dorpjes. Je kan er mooie tochten maken. Wandelend van dorp tot dorp en daar overnachten. Met de boot door de rivieren en kreken. Met de gids Dione maakte ik een dagtocht in zijn pirogue, een uitgeholde boomstam met buitenboordmotor.


aan het werk in Affiniam


stampen


een oude vrouw in Djilapao


tropische vogel

 

Kansen

Bakau, Gambia, 19 – 26 januari 1997

Het is halfelf ‘s avonds, ik ben onderweg naar mijn hotel en ik hoor muziek uit de bar aan de andere kant van de straat. Dit is Bakau, Gambia, een toeristenstadje aan de Atlantische Oceaan. Hier zijn de grote toeristenhotels, waar wekelijks chartervliegtuigen nieuwe ladingen Europeanen afleveren voor een zonvakantie.
Ik besluit de bar, de Underground, te bekijken. Door een poortje en een donkere gang kom ik in een vierkante ruimte. Er is een grote bar en er staan wat tafels. Een man speelt darts.
Achter de bar staat een jonge vrouw. Blank, zwart lang haar. Ze is buitengewoon mooi. Ze draagt jeans en een T- shirt. Haar haar is gevlochten in een lange vlecht die tot halverwege haar rug hangt. Ik bestel een Grolsch bij haar.
Ray, de Schot, naast me op een kruk, heeft grijs haar, maar hij is niet veel ouder dan ik. Zijn accent maakt hem moeilijk te verstaan. ‘Ik werk hier aan het havenhoofd,’ vertelt hij. ‘Al bijna een jaar en het zal nog wel een jaar duren.’ Hij is kort en breed, een krachtige man. Hij drinkt bier. Heineken. Hier net zo goedkoop als Julbrew, het locale merk. De Underground is de stamkroeg van hem en van een behoorlijk aantal van zijn collega’s. Amerikanen en Britten.
Val, de mooie vrouw, is van Italiaans-Franse afkomst. De kroeg is van haar en haar partner, Sue, een aantrekkelijke Engelse van in de dertig. Sue heeft een lach van witte tanden. En ogen met een binnenpretje.


naar mijn zin in the Underground

Ik heb het naar mijn zin in de Underground. Het publiek is gemêleerd. Afrikanen. Europeanen en Amerikanen die hier tijdelijk werken. Een rijke Libanees. En maar een paar toeristen. Een bar uit vroeger tijden, toen Afrika nog koloniaal was. Een Afrika, dat alleen nog in boeken en films bestaat. Alhoewel. Sinds Gambia het toeristengoud heeft aangeboord, komen ze weer, de avonturiers, de mensen van het snelle geld, zwervers en outcasts. Een slim iemand kan hier snel geld verdienen.

Sainey ontmoet ik de volgende avond. Zijn bijnaam is Bill. Heeft hij zelf verzonnen, maar heeft daar nu spijt van. Hij is een Gambiaan, een Madinka, van drieëntwintig. Een vrolijke man, gespierd, een witte lach in een pikzwart gezicht. Hij werkt als barman bij de Underground, maar terwijl Sue en Val de klanten onderhouden, werkt Sainey op de achtergrond. Hij maakt de tafeltjes schoon, doet de bestellingen, maakt de rekeningen op. De Underground heeft nog een aantal andere Gambianen in dienst. Personeel is goedkoop hier.
Hoe heet je en waar kom je vandaan. Dat zijn de eerste vragen van Sainey. Maar na een tijdje ben ik het die de vragen stelt.
‘Heb je het hier naar je zin?’ Ik knik met mijn hoofd naar de bar.
‘Ja,’ zegt hij, maar hij kijkt bedenkelijk.
Even later krijg ik het eruit.
‘Ik doe hier de klusjes,’ zegt hij. ‘Zij zeggen wat ik moet doen en dat doe ik.’
‘Is het gemakkelijk hier om werk te krijgen.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Maar ik had goede papieren, van een vorig baantje wat ik gedaan heb, toen ik nog geen twintig was. Die heb ik laten zien en toen was ik aangenomen.’
‘Welke scholen heb je gedaan.’ Ik wil alles weten van deze man.
‘Lagere school, een tijdje middelbare school. Maar er was niet altijd geld. Mijn vader is boer en hij is niet rijk.’
Zijn stem wordt nadrukkelijker. ‘Ik verdien nu geld voor mijn familie. Mijn broer moet wel studeren. Ik betaal zijn studie, maar alleen als hij resultaten haalt.’
‘Heb je ook zussen.’
Hij knikt en ik begrijp dat hij er een aantal heeft. Als ik vraag hoe het zit met hun studie krijg ik geen antwoord.
‘Ik wil een eigen bedrijf,’ zegt hij plotseling.
‘Ja,’ vraag ik.
‘Iemand bij mij in het dorp laat containers met tweedehands goederen uit Europa komen. Fietsen, televisies, van alles.’
Hij zoekt even naar woorden. ‘De man werkt in een hotel, bij de receptie.’ Hij kijkt me aan. ‘Hij werkt samen met een klant, die de spullen opstuurt. En hij verkoopt ze hier.’
Sainey grijnst. ‘Hij rijdt in een BMW.’

Een paar dagen later ga ik met Sainey mee naar zijn dorp. Eerst tien minuten met een taxi naar Serekunda, het verkeersknooppunt van de Gambia. Een drukke stad met aan de rand ambassades, kantoren en villa’s. Het centrum is een warboel van lage stenen en houten gebouwtjes met golfplaten daken. Restaurantjes, woningen en kleine bedrijfjes. Langs de straten, het merendeel is niet geplaveid, zitten de vrouwen met hun waren. Groeten en fruit, kleding, schoenen, en nog honderden andere zaken. Tegen het eind van de middag is het enorm druk. Taxi’s en minibussen toeteren zich door het gedrang heen. Vrouwen dragen prachtig gekleurde jurken, een hoofddoek met hetzelfde motief. Stoere knullen in jeans. Maar zeker de helft heeft oude kleding. Kinderen met T-shirts waar de gaten groter zijn dan het stof.
Sainey manoeuvreert zich er snel doorheen. Ik moet me haasten om hem bij te houden. Een jonge man in zijn eigen stad. We stappen in een Japanse minibus.


markt in de Gambia

Na twintig minuten zijn we de buiten de stad, maar langs de weg gaat het ene dorp over in het andere.
‘Dat is mijn dorp,’ wijst Sainey na een tijdje en we stappen uit. Het is tegen zes uur, nog een uur tot zonsondergang, belangrijk tijdens de Ramadan.
We lopen over een stoffig zandpad. ‘Little desert,’ zegt hij. Aan beide zijden zijn de muren van de compounds. Als Europeaan ben ik hier een bezienswaardigheid. ‘Toebab,’ roepen de kinderen. Blanke. Sommige kijken me van een afstand aan, andere komen op me af en willen een hand. Door de kinderen wordt hier niet gebedeld.
Na een kwartier komen we bij de compound van de familie van Sainey. Ze hebben een flink terrein, gauw enkele hectares. Er lopen kippen en geiten. Hun huis is een laag stenen gebouw, met een schuin zinkplaten dak. Aan de voorkant is een veranda waar je ternauwernood kunt staan, er komen drie kamertjes op uit. Het geheel hangt een beetje naar voren. Seiney haalt een luie stoel uit het kamertje links.
‘Dat is mijn huis,’ zegt hij.
Een voor een komen zijn familieleden zich voorstellen. Zijn zuster van eenentwintig, die op bezoek is, met haar vier jaar oude dochtertje. Zijn broertje, twaalf jaar. Een magere boos kijkende vrouw van midden twintig schudt mijn hand. Een kind hangt in een doek op haar rug.
‘Mijn vaders tweede vrouw,’ zegt Sainey. Aan het meisje op haar rug besteed hij geen aandacht, maar een ander meisje, niet veel ouder, stelt hij voor als zijn tweede zusje.
Vlak voor zevenen komt ook zijn moeder. Ze is een vriendelijke vrouw, die me beleefd een hand geeft. Ze kijkt trots naar haar zoon. Ik realiseer me dat deze vrouw van ongeveer mijn leeftijd moet zijn, maar haar wereld en de mijne liggen ver uit elkaar. Sainey leeft in beide.
De radio wordt aangezet, en om vijf over zeven wordt het signaal gegeven vanuit de hoofdstad dat de zon onder is. De tijd van vasten is voor vandaag voorbij.
‘De man die dit zingt, is al jaren dood,’ zegt Seiney. ‘Maar nog steeds wordt zijn zang over televisie en radio gespeeld.’
De zus van Sainey komt met koppen thee, met heel veel melk. Ze worden met grote teugen leeggedronken. Als niemand kijkt giet ik de helft van mijn thee tegen een boom. Daarna volgt het verse stokbrood met een dikke laag boter, vlak voor zevenen bij een winkeltje gehaald door de jongere broer.
Het wordt nu snel donker en Sainey loodst me zijn kamer binnen. Hij steekt een kaars aan en ik realiseer me plotseling dat er hier geen elektriciteit is.
‘Misschien binnen twee jaar,’ zegt hij.
Als ik naar het toilet moet wijst Seiney naar een hoekje van de compound dat alleen vanuit zijn kamer te bereiken is.
‘Alleen urineren,’ zegt hij. De plek is duidelijk ingericht voor de Afrikaanse gewoonte om op je hurken te plassen, iets wat ik niet op dat moment wil uitproberen. Achterover hangend gaat het me toch goed af.
Hij heeft een drietal vrienden voor de avond uitgenodigd. Er volgt een beleefde voorstellingsronde. Ze willen weten hoe ik reis en daarna wat voor werk ik doe.
‘Computers,’ zeg ik. ‘De toekomst, ook in de Gambia.’
We praten over een handel in tweedehands computers. Die zijn goedkoop in Nederland, dus waarom niet exporteren naar een plek waar ze een tweede leven kunnen krijgen. Het gebeurt toch ook met auto’s, fietsen en televisies.
‘Ik ken iemand,’ zegt Sainey. ‘Die weet alles van computers. Ik ga morgen naar hem toe om te vragen wat hij er van denkt.’
Het is gezellig, we lachen veel, en de batterijradio zorgt voor Afrikaanse muziek. De zus brengt een grote schotel met een bonengerecht. Geen vlees. De bonen moeten met een stuk stokbrood uit de schotel geveegd worden. Ik probeer alles goed te doen en het smaakt aardig.
‘Ben je getrouwd,’ vraagt de vriend tegen over me. Een jonge slanke knul, hij heeft zijn overhemd en hemd uitgetrokken en zijn zwarte huid glimt in het kaarslicht.
‘Nee,’ zeg ik.
‘Heb je een vriendin,’ is het logische vervolg.
‘Soms wel, maar niet nu.’
‘Omdat je op reis bent,’ zegt hij.
Ik knik.
‘Ik wil je Hollandse vriendin wel,’ zegt de knul.
Ik begin het schrikbeeld van de Nederlandse vrouw te schetsen. Ze zijn goed opgeleid en accepteren geen tweede plaats. Ze doen niet aan Ramadan. Ze willen werken en verdienen vaak meer dan een man.
‘Toch wil ik haar wel.’
Het eten is inmiddels op en de tafel wordt afgeruimd. De vader komt binnen, net van zijn werk ergens op het land. Het is een vriendelijke man, zijn Engels is gebrekkig. Hij komt even bij ons zitten, maar het is moeilijk met hem een gesprek te beginnen, Hij heeft het kind van zijn tweede vrouw op schoot en knuffelt haar uitgebreid.
Ik bekijk hem. Hij heeft nog maar een paar tanden en hij ziet er oud uit. Twee vrouwen heeft deze man, realiseer ik me, en weer is er die enorme kloof.
Na een kwartier schudt hij weer uitgebreid mijn hand en verlaat de kamer.
Lamin, een andere vriend, begint te vertellen. Hij is groot, een kop groter dan ik. Breed. Gespierde kaken. Ik moet denken aan die oude Amerikaanse speelfilms waarin zwarten alleen maar slechteriken waren. Hij had zo mee kunnen spelen. Ik lach zachtjes over mijn eigen vooroordeel over de boze neger. Ze kijken mij vragend aan, ik leg het hun maar niet uit.
‘Ik heb vijf jaar voor de regering gewerkt,’ zegt Lamin. ‘Een goede baan. Maar op een gegeven moment kreeg ik van mijn vader wat geld en ik heb ontslag genomen.’
Hij kijkt peinzend in de verte.
‘Via Dakar reisde ik naar Mauritanië, Nouakchott. Ik wilde naar Europa.’
Sainey maakt ondertussen een melkdrank klaar, heet, met heel veel suiker.
‘Van Nouakchott reisde ik naar Tunesië. Daar nam ik het vliegtuig naar Kiev, in de Oekraïne.’
Hij zucht. ‘Maar ik had geen visum, ze stuurden me binnen een paar dagen terug.’
Sainey giet de melk van grote hoogte in kopjes en daarna weer terug in de pot. Hij herhaalt dit een aantal malen, de melk wordt dikker.’
‘Daarna reisde ik weer naar Nouakchott, om het via Marokko te proberen. Maar ook daar stuurden ze me terug. Toen was het geld op en ben ik naar de Gambia teruggekomen.’
‘Heb je weer werk,’ vraag ik.
‘Misschien kan ik volgend jaar mijn oude baan terugkrijgen.’
We krijgen de hete melk en het smaakt verbazingwekkend goed.
De avond vordert en met het gesprek over voetbal komt de uitgelaten sfeer weer terug. Ze willen alles weten van Willem II. Daar voetbalt de grote ster van het land.
Tegen tien uur vertrek ik, ik ga terug naar Bakau.
Sainey begeleidt me naar de hoofdweg. Het is donker in het dorp.
‘Daar is de elektriciteit,’ zegt hij en wijst naar een paar lampjes in de verte. ‘Misschien krijgen wij het al volgend jaar. Dan koop ik voor mijn familie een televisie en een video. En misschien een computer.’

Bakau

In Bakau ga ik nog even naar de Underground. Ik praat met Nederlanders, die zich in de Gambia gevestigd hebben.
‘Er zijn hier volop mogelijkheden,’ zeggen ze enthousiast.
De toeristenindustrie is bijna geheel in blanke handen, de hotels, de bars en de restaurants.
Ik denk aan Lamin, die zijn geluk in Europa wilde beproeven maar er niet in kwam. Veel jongeren hier zien Europa als het beloofde land. Want in Afrika voelen ze zich tweedehands, net als de auto’s. Maar als ze al Europa binnenkomen en als er al werk is, krijgen ze de rotste baantjes.
Even later vertrekken we met een groep naar het casino, ik speel voor het eerst in mijn leven blackjack. Uiteindelijk verlies ik vier gulden. Een Gambiaans dagloon.


vissers


straatbeeld

Dakar, foto’s

Dakar, 16 – 19 januari 1997


St. Louis, de taxi voor vertrek naar Dakar


Isle de Goree

Vanaf Isle de Goree werden slaven vervoerd naar Amerika. Er was een rigoreus selectiesysteem. Het Maison des Esclaves, het slavenhuis, werd in 1776 door de Nederlanders gebouwd. Er is nu een museum gevestigd. De waanzin van dit kleine gebouwtje wordt er terecht vergeleken met de waanzin van de vernietigingskampen van de tweede wereldoorlog. Alleen zijn wij het vergeten.


het Slavenhuis

 

De schizofrenie van St. Louis

St. Louis, 14 – 16 januari 1996.

St. Louis is de oudste Franse stad in Senegal. Opgericht in 1659. De stad ligt in het noorden op een eilandje midden in de rivier de Senegal, die daar zo’n 800 meter breed is. Over de rivier is het zo’n veertig kilometer naar zee.


St. Louis, met de brug over de Senegal

Het rare is dat St. Louis niet alleen veertig kilometer van zee, maar ook aan zee ligt. Als je op het eiland de andere brug neemt, kom je op een schiereiland terecht. Dit schiereiland, een duinenrij, is zo’n veertig kilometer lang en bij St. Louis zo’n 150 meter breed. Aan de ene kant van die duinenrij de rivier en aan de andere kant de Atlantische Oceaan.
Ik heb er naar zitten kijken en vraag me af welk natuurverschijnsel er de oorzaak van is dat die rivier niet meteen in zee stroomt, maar daar veertig kilometer over wilt nadenken.
Die brug, dat is ook iets aparts. Die zou in de vorige eeuw eerst over de Donau komen te liggen. Dat is toch ongeveer het hoogste wat je als brug kan bereiken. Maar deze brug had pech en werd op het laatste moment naar Afrika gedeporteerd. In Europa had hij natuurlijk al lang het loodje (oud ijzer?) gelegd, maar hier zal hij nog tijden voort moeten.
Omdat St. Louis een oude koloniale hoofdstad is heb je er de prachtigste gebouwen en belangrijker nog: goedkope en heel goede Franse restaurants.
Op de punt van het schiereiland heb je een Nationaal Park, omdat dit een van de belangrijkste vogelgebieden van West-Afrika is.

vogels

St. Louis, Toto

St. Louis, 14 – 16 januari 1996.

Op het moment dat de Mercedes bestel bus in Rosso, Mauritanië stopt ben ik opgelucht. De bankjes aan de zijkant waren krap en vanwege het reservewiel kon ik mijn voeten niet goed kwijt. Rosso ligt aan de rivier de Senegal, die de grens vormt tussen Mauritanië en het land Senegal. Ook aan de andere kant van de rivier heet het plaatsje Rosso.
De achterdeur gaat open en als een van de laatsten stap ik uit. Ik word meteen bestormd door een tiental jongens en jonge mannen. Ze beginnen tegen me te schreeuwen en aan me te trekken. Na een paar tellen word ik pissig en begin ze van me af te slaan. Ze willen wisselen, me naar de rivier vervoeren, me aan de Senegalese kant weer in een taxi hebben, het is volslagen chaos. Tegelijkertijd trekken ze aan mijn tas en mijn rugzak. Ik heb al mijn handen nodig om de boel onder controle te krijgen. Uiteindelijk loop ik weg en zie een rijtuig staan met de bestuurder erbij.
‘Jij bent ingehuurd,’ roep ik en tik hem op de schouder.
Hij kijkt verheugd maar zijn oorspronkelijke vracht, een donkere man, begint tegen hem uit te varen. Het helpt niet.
Als we wegrijden klimmen drie van de jonge mannen aan wie ik wilde ontsnappen alsnog op het rijtuig en ik krijg ze niet eraf.
Bij de rivier proberen ze me weer in een hoek te duwen. Voor mijn kleine hoeveelheid Mauritaniaans geld worden allerlei bedragen geboden maar de optelling deugt niet. Op een gegeven moment heb ik wel Senegalees geld in mijn hand, maar ik heb maar de helft gekregen van wat ik behoorde te krijgen. Gelukkig maken ze zich niet uit de voeten en met veel geschreeuw krijg ik mijn oorspronkelijke biljetten weer terug. Dan realiseer ik me dat het hier in het totaal gaat om een bedrag van vijftien gulden en ik voel me klein.


oversteken

Bij de pirogue, een smalle lange boot met buitenboord motor, de pont vaart pas een uur later, kom ik de Italiaan Salvatore tegen. Hij is klein, mager en kalend. Zijn roepnaam is Toto. Samen varen we naar de overkant, de Senegal is hier maar een tweehonderd meter breed. De zon schijnt fel op het water.
Na de Senegalese douane gaan we op zoek naar vervoer naar St. Louis. Toto weet iets goedkopers dan een taxi en weer staan we bij een Mercedes bus.
‘Bijna vol,’ merkt Toto op, ‘Die zal wel zo vertrekken.’
Hij heeft gelijk en ongelijk. We doen een hele goede deal wat de kaartjes betreft, maar de bus vertrekt pas veel later. De bus wordt gebruikt door een aantal Senegalese vrouwen die in Mauritanië inkopen hebben gedaan. Make-up artikelen. Die zijn daar goedkoper.
Voordat alles is opgeladen en de goederen de douane zijn gepasseerd, is het dik een uur later.
Toto en ik zitten op de tweede rij banken, meteen achter de bestuurder. Vlak voordat we vertrekken stapt een dikke dame binnen, die ook nog op onze bank erbij moet. Het wordt plotseling heel krap.
‘She’s big,’ fluister ik tegen Toto.
Hij knikt en buigt zich naar de vrouw, ze is een jaar of dertig.
‘Je hebt een hele grote achterste,’ zegt hij verliefd.
De vrouw knikt en giert het uit van het lachen en ook de twee mannen die voor ons op de voorbank zitten, hebben flinke pret.
We raken in gesprek met de vrouw. Ze heet Lira en heeft een zaak in Thies, zo’n 70 kilometer van Dakar.
‘Ik wil je bezoeken,’ zegt Toto tegen Lira. Ze knikt, kijkt hem aan en daarna mij.
‘Komt hij ook,’ zegt ze terwijl ze naar mij wijst. Ze lacht verleidelijk.
‘Ja zeker,’ zegt Toto en hij legt zijn arm over haar vlezige schouders.
Hij vraagt om haar adres en Lira schrijft haar telefoonnummer op een blaadje.
‘Adrie moet het ook krijgen,’ bezweert ze en Toto belooft het haar met zijn hand op zijn hart.
Vervolgens gaat het gesprek over haar bedrijfje en ik kan het Frans niet goed volgen. Ik kijk naar buiten en zie het vruchtbare landbouwgebied aan me voorbijtrekken. Er is uitgebreide irrigatie en het belangrijkste gewas is suikerriet.
Ongeveer halverwege moeten we weer een keer stoppen. De derde controle. Deze keer is het serieus. Alle identiteitspapieren en paspoorten moeten getoond worden. Maar ook de lading van de vrouwen, met de bijbehorende douanepapieren wordt gecontroleerd. Dan dreigen de politiemannen de dozen en de tassen te gaan openen. Dat kan rustig een paar uur gaan duren. Lira wordt aangewezen om namens de vrouwen met de politiemannen te gaan onderhandelen. Na een half uurtje zijn ze het eens over de omkoop som.
Als we wegrijden lacht Lira van oor tot oor. Een zwarte stralende maan. Het bedrag wat ze moest betalen viel behoorlijk mee.
Toto maakt van de goede stemming gebruik om het gesprek op sex te brengen. Hij vertelt dat wij binnenkort langskomen en hij begint denkbeeldig haar lichaam te verdelen. Hoe verdeel je Lira. Over de lengte. Over de breedte.
Lira behoort tot de Wolof, het talrijkste van de volken die in Senegal leven. Ze zijn islamitisch. Zoals bij veel West Afrikaanse volken kennen de Wolof de besnijdenis, van mannen en van vrouwen.
‘Ben je besneden, Lira,’ vraag Toto.
Ze knikt. ‘Natuurlijk.’
Dan wil Toto de aard van de besnijdenis weten. Uit een boek dat ik van Nederlanders in Marokko gekregen heb weet ik dat bij een volk in de Gambia, de besnijdenis bij vrouwen heel ingrijpend kan zijn. Daar worden de kleine schaamlippen en de clitoris bij de meisjes verwijderd. Daar gruwde ik zo van, dat ik het boek niet heb kunnen uitlezen.
Lira vertelt dat bij de Wolof meisjes de clitoris niet verwijderd wordt en Toto lacht blij.
Maar de culturele uitwisseling is nog niet voorbij.
Met luide stem vraagt nu Lira hoe het met ons gesteld is. De mannen op de voorbank draaien zich om en de chauffeur vermindert gas om geen woord te missen.
‘Toto, ben jij besneden.’
Toto knikt. Ja, ook in Italië worden mannen besneden.
En dan kijken ze mij aan.
En ik schud mijn hoofd. Nee, in Nederland doen we daar niet aan. Verbazing en ongeloof vallen van de gezichten te lezen. En even heb ik het gevoel in een raar onderontwikkeld land te wonen.
Maar dan herinner ik het me.
‘En alles werkt perfect,’ roep ik en ik lach opgelucht met ze mee.
In St. Louis neem ik afscheid van Lira en even later ook van Toto. Hij geeft me het telefoonnummer van Lira niet en ik vraag er ook niet naar. Ik heb mijn eigen zoektocht in Afrika.

Mauretanië, Connecties.

Nouadhibou 9 – 11 januari 1997
Nouakchott, 11 – 14 januari 1997

Het huidige Mauritanië bestaat 36 jaar. Het schafte in 1980, als laatste land ter wereld, de slavernij af. In 1989 woedden er ernstige rassenrellen tussen aan de ene kant Moren, een mix van Arabieren en Berbers, en aan de andere kant zwarte Afrikanen.
Negenen negentig procent van de bevolking is islamitisch.
In 1960 was de overgrote meerderheid van de bevolking nog nomadisch, maar inmiddels is dat percentage geslonken tot zo’n 15%.
En de Sahara rukt op, een proces dat al vele eeuwen aan de gang is.


markt in Nouakchott

De hoofdstad Nouakchott werd in 1960 gesticht, inmiddels wonen er meer dan een half miljoen inwoners, een kwart van de bevolking.
In een normaal land zijn deze statistieken niet zo belangrijk, maar Mauritanië is geen normaal land. Alles draait er om ras, kaste, afkomst, macht en connecties.

Een dag na aankomst in Nouadhibou, de tweede stad in Mauritanië vlak bij de grens met Marokko, bezoek ik de camping, waar een aantal van mijn konvooigenoten hun bivak hebben opgeslagen. Camping is een groot woord, het is een ommuurde ruimte midden in de stad. De auto’s staan er bumper aan bumper, geen wonder dat een andere groep besloten heeft om ergens aan zee te gaan staan. Fiete, de Duitser van wie ik een lift kreeg door de Sahara, staat er nog en we praten even. Maar eigenlijk ben ik op zoek naar Ali.
Ali is de campingbaas. Een Moor van rond de veertig, met een lichte huidskleur en een snorretje, niet al te groot, niet dik of dun, en als hij stil zou staan, zou hij volstrekt onopvallend zijn. Maar Ali staat nooit stil en kan alles regelen.
‘Hollandais,’ roept hij als hij mij ziet staan.
‘Ik wil naar Nouakchott,’ zeg ik. ‘Met de taxi.’
‘Ah, taxi brousse,’ zegt hij en even later zijn we onderweg. Zijn Renault 12 is zelfs voor Afrika een oud en gammel ding. Het rechtervoorwiel maakt een ontzettend kabaal. Verontrust wijs ik er naar.
Ali haalt zijn schouders op. ‘De auto moet binnenkort eens naar de garage.’
Na een paar honderd meter parkeren we midden op de markt.
Op een plein, tussen de kippen en de geiten, staan een tiental Toyota pick-up trucks.
‘Gare routière international,’ zegt Ali en stapt op een man af die op zijn hurken voor een winkeltje zit. Hij begint in het Arabisch te onderhandelen. Na een paar tellen vliegt Ali woedend overeind. Hij rent naar een andere man, een donkere Moor met scherpe trekken en een zwart puntbaardje. Ik probeer Ali te vragen wat er aan de hand is, maar hij wuift me weg. De onderhandelingen gaan verder, en het geluidsniveau stijgt. Van alle kanten komen mensen aangelopen.
Dan breekt Ali uit de cirkel en trekt me mee.
‘Viens,’ zegt hij opgewonden. Ik ga met hem mee.
‘Wat is er aan de hand.’
‘Dieven zijn het,’ sist hij en trekt me aan mijn arm langs een kraam met brood. De stokbroden ruiken heerlijk maar ze zitten onder de vliegen.
‘Hij vraagt achtduizend voor een plaats voorin, in de cabine, terwijl de prijs vijfduizend is.’
We gaan een winkel met snuisterijen binnen. In de verste wand is een deur naar een kantoor. Achter een leeg bureau, er staat alleen een telefoon op, zit een oudere heer met grijs haar.
‘Le patron,’ fluistert Ali en we stappen naar binnen.
Langs drie muren staan rechte stoelen en we gaan er op zitten, totdat de patron klaar is met een man in werkkleren. Zelfs Ali zit nu stil.
Na een paar minuten zijn we aan de beurt, de patron wijst op de stoelen voor zijn bureau. We schudden uitgebreid de handen.
Na een paar tellen informeel gebabbel, ik vertel dat ik uit Amsterdam kom, wijst de patron naar Ali. Terwijl Ali zijn verhaal doet, zet de oude heer zijn vingers tegen elkaar en luistert. Op een gegeven moment tilt hij even zijn rechterhand op en meteen houdt Ali op met praten. De patron roept iets naar een man die bij de deur staat.
Even later komt ook de man met het puntbaardje binnen. De patron geeft hem er van langs. Hij gebruikt vaak het woord Mauritanie
Daarna vertelt de patron mij dat mijn plaats mij vijfduizend ouguiya gaat koste, zoals het hoort, en dat ik die middag om drie uur mee kan, als er plaats is.

Om drie uur sta ik weer op het marktpleintje, met mijn rugzak, bij een van de winkeltjes. De man met het baardje wijst naar een stoep, waar ik kan wachten. Er zitten meer mensen. Moren in blauwe of witte boubou’s. Dikke zwarte vrouwen in felgekleurde jurken.
Op het pleintje rijden taxi’s toeterend rond. Er lopen geiten en ezels. Kooplui hebben hun waren, groente, rieten manden, vlees, brood, noem maar op, op de grond of in kramen uitgestald.
Het is Ramadan en niemand eet of drinkt. Het is stoffig en er zijn verschrikkelijk veel vliegen.
Om kwart over vier, als de taxi brousse op het punt van vertrekken staat, komt de man met het puntbaardje op mij af. Hij vertelt me dat er jammer genoeg geen plaats in de cabine voor mij vrij is. Natuurlijk kan ik wel op de laadbak, waar de meeste passagiers een staanplaats hebben. Vierentwintig uur stof en zand in je gezicht. Een beetje te ruig voor mij. Hij grijnst als ik vraag of er de komende dagen plaatsen voorin beschikbaar zijn en schudt zijn hoofd. Nee, ook de eerste paar dagen is alles gereserveerd.

Een half uur later sta ik voor de balie van Air Mauritanie. Er is nog plaats op de vlucht van halfzeven en een kaartje kost achtduizend ouguiya, tachtig gulden. Ik heb precies genoeg bij me.

Het vliegveld ligt vlak buiten het stadje, Ali brengt me er meteen naar toe. Hij heeft inmiddels het idee opgevat dat ik reisgidsen schrijf en is nu niet meer van mijn zijde weg te slaan. Hij wil beslist in de volgende editie van Lonely Planet. Ik beloof een goed woordje voor hem te doen.
Het vliegveld is niet erg groot en alle afhandelingen vinden plaats in een klein betonnen gebouw. Bij de balie laat ik mijn ticket zien. De man van Air Mauritanie loopt met zijn vingers langs de lijst.
‘U heeft niet gereserveerd,’ zegt hij en kijkt me meewarig aan.
‘Ik heb het een kwartier geleden gekocht.’
‘Nee, u kunt niet mee.’ Hij wil me mijn ticket teruggeven.
Ik begin te lachen en zeg nogmaals tegen de man dat ik het ticket een kwartier ervoor bij het kantoor van Air Mauritanie in de stad heb gekocht. Toen was er wel plaats.
Hij blijft koppig het ticket tegen me aanduwen, maar ik neem het niet aan.
‘Dan wil ik mijn geld terug,’ zeg ik in mijn beste Frans. ‘En een papier waarop staat dat ik niet mee mag.’
Er verzamelt zich een groepje om ons heen. De hele situatie werkt me op mijn lachspieren, en ik ga aan de omstanders uitleggen dat de ene Air Mauritanie niet de andere is.
Uit een kantoortje achter de balie komt een oudere man en hij roept iets. Plotseling heb ik een instapkaart en mijn bagage wordt ingenomen. Zonder smeergeld te betalen.


mannen in boubou’s Nouakchott

In de wachtruimte staan al een twintigtal mensen. Moren, maar ook een paar zwarte Afrikanen. Ik leun tegen een pilaar.
Een jonge man, als een van de weinigen westers gekleed, jeans en een overhemd, komt op me af. Hij stelt zich aan me voor. Ik versta de naam niet goed, het klinkt als Mustafa. Hij heeft een vierkant gezicht, kortgeknipt haar en een ringbaardje. Een mooie jongen. Ik vind hem meteen een griezel. Ik probeer zo kort en zo weinig mogelijk zijn vragen te beantwoorden, maar hij blijft maar om me heen draaien.
‘Ik krijg hier alles gedaan,’ zegt hij. ‘Mijn broer is de commissaris van politie in Nouadhibou. Ze kennen me hier allemaal.’
Hij loopt weg om een militair met veel sterren een hand te geven en komt dan meteen weer terug.
‘Dat is het hoofd van de beveiliging,’ zegt hij. ‘Ik ken hem, hij is een vriend van mijn broer.’
Ik zucht en laat het maar over me heen komen.
‘Ik zag dat je problemen bij de balie had,’ zegt hij plotseling.
Ik knik en haal mijn schouders op.
‘Ik zat in het kantoor en heb het toen voor je geregeld. Ik ken veel buitenlanders. Nederlanders ook. Allemaal vrienden.’

Een half uur te laat kunnen we ons opstellen voor de uitgang naar het platform. De instapprocedure is begonnen. Van alle kanten komen nog mensen aangelopen. Ik zie één andere westerling. We zijn met ongeveer veertig mensen. Tijdens het vormen van de rij breekt een ontzettend gedrag uit. Mustafa trekt me de rij in.
‘Hier gaan staan,’ sist hij.
Er vallen een paar klappen tussen een Moorse man en een zwarte vrouw.
Als de deur opengaat verhevigt het gedrang. Er wordt opgewonden geroepen en als de Moorse soldaat een zwarte vrouw met kind ertussen laat, wordt er gescholden.
Het is honderd meter naar de trap van het kleine propellervliegtuig. Mensen rennen. Ik maak me ongerust. Zouden er te veel plaatsen zijn uitreikt. Mustafa trekt me voort in de rij.
En dan ben ook ik onderweg naar het vliegtuig, ik neem grote stappen, maar ik wil niet rennen. Ik loop de vliegtuigtrap op en stap achterin het vliegtuig in.
De stewardess wijst me naar voren en ik vind een plaats bij het raam. Mustafa gaat naast me zitten.
Bij het vertrek blijken er nog tien lege plaatsen te zijn.

De volgende middag zit ik op het terras van mijn hotel in Nouakchott. Ik lees een boek. Plotseling staat Mustafa voor me. En ik dacht hem de vorige avond zo netjes geloosd te hebben bij de bagageafhandeling.
We schudden de handen.
‘Ik ken Richard, de eigenaar,’ zegt hij. Ik knik en herinner me plotseling dat ik hem verteld heb dat ik in dit hotel een kamer zou proberen te vinden. Stom.
Hij vraagt me wat ik die ochtend gedaan heb.
‘Ik ben naar de ambassade van Nigeria geweest,’ zeg ik. ‘Voor een visum. Maar ze geven alleen visa aan mensen die hier wonen. Daarnaast heb ik de markt bekeken.’
‘Ik ken iemand die de Nigeriaanse ambassadeur kent,’ zegt hij. ‘Die kan wel een visum regelen voor je.’
‘Dat hoeft niet,’ zeg ik.
Maar hij pakt mijn arm en trekt me mee. Ik laat me meesleuren.


plaatsje in Zuid Mauritanië

We stappen in een taxi en rijden naar een Libanees eethuis.
‘Heb je al gelucht,’ vraagt hij.
Ik schud mijn hoofd.
‘Ik ben ziek vandaag.’ Mustafa strijkt over zijn buik. ‘En dan hoef je niet aan Ramadan te doen.’
Hij bestelt een hamburger met patat en een cola. Ik neem een schawarma.
‘Vergeet dat visum maar,’ zeg ik tegen hem als hij terugkomt van het toilet.
‘Ik heb mijn vriend al gebeld,’ zegt hij. ‘Trouwens, ik heb ook iemand geregeld met wie je mee kan rijden naar Senegal. Gratis.’
Even later komt een man binnen en gaat bij ons aan het tafeltje zitten. Er worden handen geschud. Even praat de man met Mustafa en wendt zich dan tot mij. Hij is heel zakelijk.
‘Een Nigeriaans visum kost je 1500 franse francs.’ Vijfhonderd gulden.
‘Veel te veel,’ zeg ik en ik besluit bij mezelf dat ik hier geen zin in heb.
Hij praat weer even met Mustafa.
‘Vijfhonderd franc,’ probeert hij.
Ik schud mijn hoofd en als hij vraagt wat ik dan wil geven, zeg ik dat het veel minder is, de gewone prijs. En dat ik het eerst nog in andere landen wil proberen.
De man staat meteen op en verdwijnt naar buiten.
‘Geeft niks,’ zegt Mustafa. ‘Moet je nog geld wisselen?’
‘Nee. Ik ga terug naar mijn hotel. Ik moet nog een hoop doen.’
Zijn gezicht toont teleurstelling.
‘Je hebt toch wel een cadeau voor mij,’ zegt hij.
‘Waarom,’ vraag ik.
‘Ik heb zoveel voor je gedaan. Honderd franc maar.’
Ik lach hem uit.
‘Alsjeblieft, Adrie, een cadeau,’ .
Ik leg het geld voor mijn eigen eten op tafel en loop weg, naar mijn hotel.