Mauretanië, Connecties.

Nouadhibou 9 – 11 januari 1997
Nouakchott, 11 – 14 januari 1997

Het huidige Mauritanië bestaat 36 jaar. Het schafte in 1980, als laatste land ter wereld, de slavernij af. In 1989 woedden er ernstige rassenrellen tussen aan de ene kant Moren, een mix van Arabieren en Berbers, en aan de andere kant zwarte Afrikanen.
Negenen negentig procent van de bevolking is islamitisch.
In 1960 was de overgrote meerderheid van de bevolking nog nomadisch, maar inmiddels is dat percentage geslonken tot zo’n 15%.
En de Sahara rukt op, een proces dat al vele eeuwen aan de gang is.


markt in Nouakchott

De hoofdstad Nouakchott werd in 1960 gesticht, inmiddels wonen er meer dan een half miljoen inwoners, een kwart van de bevolking.
In een normaal land zijn deze statistieken niet zo belangrijk, maar Mauritanië is geen normaal land. Alles draait er om ras, kaste, afkomst, macht en connecties.

Een dag na aankomst in Nouadhibou, de tweede stad in Mauritanië vlak bij de grens met Marokko, bezoek ik de camping, waar een aantal van mijn konvooigenoten hun bivak hebben opgeslagen. Camping is een groot woord, het is een ommuurde ruimte midden in de stad. De auto’s staan er bumper aan bumper, geen wonder dat een andere groep besloten heeft om ergens aan zee te gaan staan. Fiete, de Duitser van wie ik een lift kreeg door de Sahara, staat er nog en we praten even. Maar eigenlijk ben ik op zoek naar Ali.
Ali is de campingbaas. Een Moor van rond de veertig, met een lichte huidskleur en een snorretje, niet al te groot, niet dik of dun, en als hij stil zou staan, zou hij volstrekt onopvallend zijn. Maar Ali staat nooit stil en kan alles regelen.
‘Hollandais,’ roept hij als hij mij ziet staan.
‘Ik wil naar Nouakchott,’ zeg ik. ‘Met de taxi.’
‘Ah, taxi brousse,’ zegt hij en even later zijn we onderweg. Zijn Renault 12 is zelfs voor Afrika een oud en gammel ding. Het rechtervoorwiel maakt een ontzettend kabaal. Verontrust wijs ik er naar.
Ali haalt zijn schouders op. ‘De auto moet binnenkort eens naar de garage.’
Na een paar honderd meter parkeren we midden op de markt.
Op een plein, tussen de kippen en de geiten, staan een tiental Toyota pick-up trucks.
‘Gare routière international,’ zegt Ali en stapt op een man af die op zijn hurken voor een winkeltje zit. Hij begint in het Arabisch te onderhandelen. Na een paar tellen vliegt Ali woedend overeind. Hij rent naar een andere man, een donkere Moor met scherpe trekken en een zwart puntbaardje. Ik probeer Ali te vragen wat er aan de hand is, maar hij wuift me weg. De onderhandelingen gaan verder, en het geluidsniveau stijgt. Van alle kanten komen mensen aangelopen.
Dan breekt Ali uit de cirkel en trekt me mee.
‘Viens,’ zegt hij opgewonden. Ik ga met hem mee.
‘Wat is er aan de hand.’
‘Dieven zijn het,’ sist hij en trekt me aan mijn arm langs een kraam met brood. De stokbroden ruiken heerlijk maar ze zitten onder de vliegen.
‘Hij vraagt achtduizend voor een plaats voorin, in de cabine, terwijl de prijs vijfduizend is.’
We gaan een winkel met snuisterijen binnen. In de verste wand is een deur naar een kantoor. Achter een leeg bureau, er staat alleen een telefoon op, zit een oudere heer met grijs haar.
‘Le patron,’ fluistert Ali en we stappen naar binnen.
Langs drie muren staan rechte stoelen en we gaan er op zitten, totdat de patron klaar is met een man in werkkleren. Zelfs Ali zit nu stil.
Na een paar minuten zijn we aan de beurt, de patron wijst op de stoelen voor zijn bureau. We schudden uitgebreid de handen.
Na een paar tellen informeel gebabbel, ik vertel dat ik uit Amsterdam kom, wijst de patron naar Ali. Terwijl Ali zijn verhaal doet, zet de oude heer zijn vingers tegen elkaar en luistert. Op een gegeven moment tilt hij even zijn rechterhand op en meteen houdt Ali op met praten. De patron roept iets naar een man die bij de deur staat.
Even later komt ook de man met het puntbaardje binnen. De patron geeft hem er van langs. Hij gebruikt vaak het woord Mauritanie
Daarna vertelt de patron mij dat mijn plaats mij vijfduizend ouguiya gaat koste, zoals het hoort, en dat ik die middag om drie uur mee kan, als er plaats is.

Om drie uur sta ik weer op het marktpleintje, met mijn rugzak, bij een van de winkeltjes. De man met het baardje wijst naar een stoep, waar ik kan wachten. Er zitten meer mensen. Moren in blauwe of witte boubou’s. Dikke zwarte vrouwen in felgekleurde jurken.
Op het pleintje rijden taxi’s toeterend rond. Er lopen geiten en ezels. Kooplui hebben hun waren, groente, rieten manden, vlees, brood, noem maar op, op de grond of in kramen uitgestald.
Het is Ramadan en niemand eet of drinkt. Het is stoffig en er zijn verschrikkelijk veel vliegen.
Om kwart over vier, als de taxi brousse op het punt van vertrekken staat, komt de man met het puntbaardje op mij af. Hij vertelt me dat er jammer genoeg geen plaats in de cabine voor mij vrij is. Natuurlijk kan ik wel op de laadbak, waar de meeste passagiers een staanplaats hebben. Vierentwintig uur stof en zand in je gezicht. Een beetje te ruig voor mij. Hij grijnst als ik vraag of er de komende dagen plaatsen voorin beschikbaar zijn en schudt zijn hoofd. Nee, ook de eerste paar dagen is alles gereserveerd.

Een half uur later sta ik voor de balie van Air Mauritanie. Er is nog plaats op de vlucht van halfzeven en een kaartje kost achtduizend ouguiya, tachtig gulden. Ik heb precies genoeg bij me.

Het vliegveld ligt vlak buiten het stadje, Ali brengt me er meteen naar toe. Hij heeft inmiddels het idee opgevat dat ik reisgidsen schrijf en is nu niet meer van mijn zijde weg te slaan. Hij wil beslist in de volgende editie van Lonely Planet. Ik beloof een goed woordje voor hem te doen.
Het vliegveld is niet erg groot en alle afhandelingen vinden plaats in een klein betonnen gebouw. Bij de balie laat ik mijn ticket zien. De man van Air Mauritanie loopt met zijn vingers langs de lijst.
‘U heeft niet gereserveerd,’ zegt hij en kijkt me meewarig aan.
‘Ik heb het een kwartier geleden gekocht.’
‘Nee, u kunt niet mee.’ Hij wil me mijn ticket teruggeven.
Ik begin te lachen en zeg nogmaals tegen de man dat ik het ticket een kwartier ervoor bij het kantoor van Air Mauritanie in de stad heb gekocht. Toen was er wel plaats.
Hij blijft koppig het ticket tegen me aanduwen, maar ik neem het niet aan.
‘Dan wil ik mijn geld terug,’ zeg ik in mijn beste Frans. ‘En een papier waarop staat dat ik niet mee mag.’
Er verzamelt zich een groepje om ons heen. De hele situatie werkt me op mijn lachspieren, en ik ga aan de omstanders uitleggen dat de ene Air Mauritanie niet de andere is.
Uit een kantoortje achter de balie komt een oudere man en hij roept iets. Plotseling heb ik een instapkaart en mijn bagage wordt ingenomen. Zonder smeergeld te betalen.


mannen in boubou’s Nouakchott

In de wachtruimte staan al een twintigtal mensen. Moren, maar ook een paar zwarte Afrikanen. Ik leun tegen een pilaar.
Een jonge man, als een van de weinigen westers gekleed, jeans en een overhemd, komt op me af. Hij stelt zich aan me voor. Ik versta de naam niet goed, het klinkt als Mustafa. Hij heeft een vierkant gezicht, kortgeknipt haar en een ringbaardje. Een mooie jongen. Ik vind hem meteen een griezel. Ik probeer zo kort en zo weinig mogelijk zijn vragen te beantwoorden, maar hij blijft maar om me heen draaien.
‘Ik krijg hier alles gedaan,’ zegt hij. ‘Mijn broer is de commissaris van politie in Nouadhibou. Ze kennen me hier allemaal.’
Hij loopt weg om een militair met veel sterren een hand te geven en komt dan meteen weer terug.
‘Dat is het hoofd van de beveiliging,’ zegt hij. ‘Ik ken hem, hij is een vriend van mijn broer.’
Ik zucht en laat het maar over me heen komen.
‘Ik zag dat je problemen bij de balie had,’ zegt hij plotseling.
Ik knik en haal mijn schouders op.
‘Ik zat in het kantoor en heb het toen voor je geregeld. Ik ken veel buitenlanders. Nederlanders ook. Allemaal vrienden.’

Een half uur te laat kunnen we ons opstellen voor de uitgang naar het platform. De instapprocedure is begonnen. Van alle kanten komen nog mensen aangelopen. Ik zie één andere westerling. We zijn met ongeveer veertig mensen. Tijdens het vormen van de rij breekt een ontzettend gedrag uit. Mustafa trekt me de rij in.
‘Hier gaan staan,’ sist hij.
Er vallen een paar klappen tussen een Moorse man en een zwarte vrouw.
Als de deur opengaat verhevigt het gedrang. Er wordt opgewonden geroepen en als de Moorse soldaat een zwarte vrouw met kind ertussen laat, wordt er gescholden.
Het is honderd meter naar de trap van het kleine propellervliegtuig. Mensen rennen. Ik maak me ongerust. Zouden er te veel plaatsen zijn uitreikt. Mustafa trekt me voort in de rij.
En dan ben ook ik onderweg naar het vliegtuig, ik neem grote stappen, maar ik wil niet rennen. Ik loop de vliegtuigtrap op en stap achterin het vliegtuig in.
De stewardess wijst me naar voren en ik vind een plaats bij het raam. Mustafa gaat naast me zitten.
Bij het vertrek blijken er nog tien lege plaatsen te zijn.

De volgende middag zit ik op het terras van mijn hotel in Nouakchott. Ik lees een boek. Plotseling staat Mustafa voor me. En ik dacht hem de vorige avond zo netjes geloosd te hebben bij de bagageafhandeling.
We schudden de handen.
‘Ik ken Richard, de eigenaar,’ zegt hij. Ik knik en herinner me plotseling dat ik hem verteld heb dat ik in dit hotel een kamer zou proberen te vinden. Stom.
Hij vraagt me wat ik die ochtend gedaan heb.
‘Ik ben naar de ambassade van Nigeria geweest,’ zeg ik. ‘Voor een visum. Maar ze geven alleen visa aan mensen die hier wonen. Daarnaast heb ik de markt bekeken.’
‘Ik ken iemand die de Nigeriaanse ambassadeur kent,’ zegt hij. ‘Die kan wel een visum regelen voor je.’
‘Dat hoeft niet,’ zeg ik.
Maar hij pakt mijn arm en trekt me mee. Ik laat me meesleuren.


plaatsje in Zuid Mauritanië

We stappen in een taxi en rijden naar een Libanees eethuis.
‘Heb je al gelucht,’ vraagt hij.
Ik schud mijn hoofd.
‘Ik ben ziek vandaag.’ Mustafa strijkt over zijn buik. ‘En dan hoef je niet aan Ramadan te doen.’
Hij bestelt een hamburger met patat en een cola. Ik neem een schawarma.
‘Vergeet dat visum maar,’ zeg ik tegen hem als hij terugkomt van het toilet.
‘Ik heb mijn vriend al gebeld,’ zegt hij. ‘Trouwens, ik heb ook iemand geregeld met wie je mee kan rijden naar Senegal. Gratis.’
Even later komt een man binnen en gaat bij ons aan het tafeltje zitten. Er worden handen geschud. Even praat de man met Mustafa en wendt zich dan tot mij. Hij is heel zakelijk.
‘Een Nigeriaans visum kost je 1500 franse francs.’ Vijfhonderd gulden.
‘Veel te veel,’ zeg ik en ik besluit bij mezelf dat ik hier geen zin in heb.
Hij praat weer even met Mustafa.
‘Vijfhonderd franc,’ probeert hij.
Ik schud mijn hoofd en als hij vraagt wat ik dan wil geven, zeg ik dat het veel minder is, de gewone prijs. En dat ik het eerst nog in andere landen wil proberen.
De man staat meteen op en verdwijnt naar buiten.
‘Geeft niks,’ zegt Mustafa. ‘Moet je nog geld wisselen?’
‘Nee. Ik ga terug naar mijn hotel. Ik moet nog een hoop doen.’
Zijn gezicht toont teleurstelling.
‘Je hebt toch wel een cadeau voor mij,’ zegt hij.
‘Waarom,’ vraag ik.
‘Ik heb zoveel voor je gedaan. Honderd franc maar.’
Ik lach hem uit.
‘Alsjeblieft, Adrie, een cadeau,’ .
Ik leg het geld voor mijn eigen eten op tafel en loop weg, naar mijn hotel.

 

Door de Sahara

Donderdag 2 januari, Agadir – Tan Tan, 322 kilometer.

Om kwart voor tien ‘s ochtends sta ik bij het busstation van Agadir. Niet een echt station, het is een smalle straat, waarlangs de kantoren gevestigd zijn van de diverse busbedrijven. Soms een verzorgd kantoor met een balie, soms niet meer dan een hok, waar een man telefonisch zaken doet. Buiten staan de mensen die de klanten moeten verzamelen.
‘Casa, casa, casa,’ roept een knul bij de bus naar Casablanca.
‘Marrakech,’ vraagt een oudere man als je voorbij loopt.
De redelijk moderne bus naar Tan Tan vertrekt een paar minuten voor tien en rijdt eerst naar het busstation van Inezgane, een paar kilometer verderop. Een grote modderpoel, waar tientallen andere bussen wachten op vertrek. Stalletjes met eten en drinken. Wel een echt busstation.
Het merendeel van de passagiers stapt uit, dit is een belangrijke overstapplaats.
Meteen na aankomst begint de processie van handelaren en bedelaars door de bus. Een dikke jonge vrouw in strakke jeans reikt met de hand geschreven briefjes uit. Ik kan het Arabisch niet lezen, maar als ze even later de briefjes weer ophaalt krijgt ze van een aantal mensen wat muntstukken. Een man met een vieze zeemanspet verkoopt plastic zakjes met bananen. Hij heeft grijs haar en een wit puntbaardje. De bananen worden bekeken en betast. Hij verkoopt één zakje.
Een dikke jonge man komt via de achteringang de bus binnen. Hij tikt me aan.
‘Bagage,’ zegt hij.
Ik begrijp hem niet.
‘Ik werk hier,’ zegt hij in het Frans. ‘Ik krijg geld voor de bagage.’
Bij het instappen in Agadir heb ik al een jonge knul, die ook op de bus werkt, betaald voor de bagage. Niet dat dat echt hoeft, maar die paar dirhams zorgen ervoor dat er wat beter op mijn rugzak gelet wordt. Dat hoop ik tenminste. Maar nog een keer betalen.
Ik krijg weer een tik tegen mijn schouder.
Ik draai me om en zeg in mijn beste Frans dat ik al betaald heb.
‘Je ne veux pas payer deux fois.’ Ik wil niet twee keer betalen. En ik grijns er vrolijk bij.
Hij bekijkt me, haalt zijn schouders op en verdwijnt, maar ik weet zeker dat ik hem nog wel een keertje terug zal zien.
Een jonge vent met een Schwarzenegger zonnebril stapt de bus binnen, hij sluit aan achter een man met parfum die zich langs een oude bedelaar wurmt die met grote gebaren vertelt welk ernstig lot hem getroffen heeft. De bedelaar heeft een officiële brief waarin staat dat wat hij zegt de waarheid is. Schwarzenegger draagt een groot bord met horloges en zonnebrillen. De bedelaar gaat ook voor hem aan de kant, waarbij hij zich tussen twee stoelen moet wurmen, op de schoot van een gesluierde vrouw, maar zijn verhaal gaat gewoon door. Boven de stoelen wappert hij met het papier. Ik versta hem niet maar als hij eindigt met een snik, weet ik dat het slecht met hem is afgelopen. Hij krijgt heel weinig geld.
Inmiddels loopt de bus vol met passagiers. Ook de man met de vuile pet verschijnt weer. Zijn bananen verkopen plots goed. Achter hem loopt een blinde man. Met een metalen staaf tikt hij zich door de bus. Hij krijgt veel. Ik zie zijn witte oogbollen en ga op zoek naar mijn portemonnee, maar de man is snel en heeft de bus al weer geroutineerd verlaten. Buiten wordt hij opgewacht door een jongen in nette kleren die hem naar de volgende bus manoeuvreert.
We vertrekken. Ik krijg na een paar kilometer weer een tik op mijn schouders en ik ben niet verbaasd als het Dikke is.
‘Sigaret,’ eist hij.
‘Ik rook niet,’ lach ik hem toe.

Ik lees net een simpele Amerikaanse thriller, als voor in de bus een enorme ruzie begint. Dikke is ook hierbij betrokken. Hij is behoorlijk kwaad en begint aan een passagier te trekken. De andere twee medewerkers op de bus gaan ook naar voren. Alleen de chauffeur houdt zich nog afzijdig.
Andere passagiers beginnen zich ermee te bemoeien. De passagier waar het om draait komt plotseling naar achter rennen. Het is een heel kleine oudere man. Een man twee rijen voor me staat op. Hij en de oude man krijgen ruzie. De oude man wijst, met zijn wijsvinger en middelvinger naast elkaar. Het lijkt net een bezwering maar de man twee rijen voor me lacht erom.
Inmiddels staat de helft van de bus. Ik kijk verbaasd in het rond. De jonge man naast me, bij het raam, kucht.
‘De oude man heeft drie kaartjes gekocht, voor hem en voor zijn zuster met haar kind. Nou heeft zijn zuster per ongeluk ook twee kaartjes gekocht. Tenminste dat zeggen ze. De conducteur zegt dat de kaartjes vals zijn.’
Plotseling wordt de chaos duidelijk. En als de man twee rijen voor me weer opstaat heb ik geen vertaling nodig. In zijn ogen is de oude man een bedrieger. Dikke begint weer te trekken en nu gaat een gesluierde vrouw aan zijn arm hangen. De thriller ligt vergeten op mijn schoot.

Als we Tiznit passeren is het tumult geluwd, de uitkomst is voor mij onduidelijk.
Ik raak gefascineerd door de manier waarop de jongste busmedewerker de achterdeur bedient. Als we door een dorpje rijden gaat hij de twee treden af en kijkt door de ruit of er iemand staat. Ziet hij iemand dan klapt hij in zijn handen en roept. De chauffeur remt af en ondertussen is de achterdeur al open en hangt de knul buiten de bus. Terwijl de bus nog veel te hard gaat sprint hij eruit.
Hij heeft snel door dat ik hem in de gaten hou. Hij is zo’n zestien jaar en heeft een groene camouflagebroek aan. Een smal gezicht en zwarte krullen. Hij heeft grote donkere ogen, met lange wimpers. Zijn oogleden bedekken zijn ogen voor de helft, zoals bij de zanger Prince. Het lijkt net alsof hij zwaar geblowd heeft.
Als de bus vertrekt hoor je ‘m buiten nog roepen.
‘Tan Tan. Tan Tan.’
De bus is al flink op snelheid als de achterdeur wat verder openzwaait. Met ogenschijnlijk gemak klimt Prince naar binnen. Hij kijkt me meteen aan en zijn oogleden zakken nog iets verder.

Ik ben inmiddels een paar bladzijden gevorderd in mijn thriller als ik de bekende tik op mijn schouder krijg.
‘Stylo,’ zegt Dikke.
‘Pas de stylo.’ lieg ik. Ik heb geen balpen. Hij gelooft het ook niet.
‘Bagage,’ probeert hij.
‘Ik heb hem betaald.’ Ik wijs naar Prince.
Prince grijnst.
‘Hoeveel,’ wil Dikke weten.
‘Vraag het hem maar.’
Dikke kijkt me nog eens aan. Hij neemt afscheid met een vriendelijk tikje op mijn schouder. Een Europeaan in de bus en hij verdient er geen dirham aan. Het lijkt hem niet te raken.
De laatste uren van de trip zijn saai. Ik krijg mijn thriller gemakkelijk uit.

Tan Tan.
In hotel Dakar ontmoet ik andere reizigers. Uit Groningen. Na op het balkon wat gepraat te hebben besluiten we gezamenlijk te gaan eten.
Het busstation is ook hier een grote modderpoel en zandvlakte. Aan de ene kant van dit plein bevindt zich ons hotel. Aan de andere kant zijn drie kleine eethuisjes. Ze hebben ieder een paar tafeltjes. En twee van de drie hebben een primitieve uitstalling met het voedsel van die avond. De eigenaar van het middelste restaurant weet alleen te melden dat hij groente heeft. Bij het rechter restaurant staat op een houtskoolvuurtje enige tajine d’agneau te pruttelen. Lamsvlees. Bij het linker restaurant staan drie pannetjes. Een pannetje met iets wat op tomatengroentesoep lijkt. Een pannetje met kip en een pannetje met linzen.
We besluiten bij restaurant De Drie Pannetjes te gaan eten. We kiezen voor de kip en we nemen plaats aan een van de twee tafeltjes buiten in het zand.


restaurant De Drie Pannetjes

Ik neem er een cola bij en mijn disgenoten een thee.
De kip blijkt met aardappelen en erwten te zijn en is zeer smakelijk. Na afloop drink ik nog een koffie. En zoals altijd gaat het gesprek met andere reizigers over het weer thuis en waar we allemaal geweest zijn. Ook deze keer was het gezellig. Tenslotte vriest het thuis dat het kraakt en we zijn al op veel plaatsen geweest.
Als het tegen halftien zachtjes begint te regenen wordt het tijd om af te rekenen.
We lopen naar binnen en vragen om de rekening.
De eigenaar knikt, pakt een stukje krantenpapier en kijkt er een tijdje naar. Dan schrijft hij 99,00 op. In dirhams is dat ongeveer twintig gulden. Niet duur maar toch meer als we verwacht hebben. We kijken elkaar aan en dan heb ik een briljant idee.
‘Hoeveel is het voor mij,’ vraag ik in mijn beste Frans maar de man verstaat me niet.
Ik wijs naar mezelf en zeg langzaam: ‘Poulet, cola, café noir.’
‘Ah,’ zegt hij en bestudeert het stukje papier. Na een minuut schrijft hij langzaam 33,00 op. Hij lacht vriendelijk en laat daarbij zijn laatste drie tanden zien. Het bedrag is wel erg toevallig en nog teveel, tenslotte had hij vooraf de kip aangeboden voor 20 dirhams.
Dus probeer ik het nog een keer.
‘Poulet, hoeveel.’
‘Negentien.’
‘Cola.’
‘Drie.’
Hij schrijft het traag op, allemaal op dat reepje krant.
‘Café noir.’
‘Vier.’
Hij telt het op en is absoluut niet verbaasd dat zijn totaal nu zesentwintig is.
Ik geef hem achtentwintig dirhams, ik krijg een hand en hij vraagt of ik nog een koffie wil. Van de zaak.

Vrijdag 3 januari, Tan Tan – La Ayoune, 260 kilometer.
Voor me koopt een man het laatste kaartje voor de bus naar La Ayoune.
‘Complet,’ zegt de busconducteur tegen me.
Ik mopper wat in mezelf. Waarom niet eerst een kaartje gekocht en dan pas ontbeten. Ik loop met spullen door de modder naar de plaats waar de grand taxi’s staan.
Op een wat droger stukje van de zandvlakte staan wat oude Mercedessen schots en scheef door elkaar. Er staan wat mensen om heen.
‘La Ayoune,’ zeg ik tegen de eerste de beste die me aankijkt.
Het heeft een onderlinge discussie tot gevolg maar binnen een paar tellen wordt er gewezen naar een witte Mercedes.
‘Le blanc,’ vraag ik voor alle zekerheid.
‘Oui, oui,’ is de ongeduldige reactie.
Mijn tas wordt zowat van mijn schouder gerukt en achter in de bak gefrommeld. We vertrekken meteen, want ik maak het gezelschap compleet.
Op de achterbank zitten vier vrouwen en ik deel de rechtervoorstoel met een grote Marokkaan van ongeveer dertig jaar. Ik zit als een platgeslagen mug tegen het raam.
Op de achterbank giechelen de vrouwen een paar minuten en dan wordt het rustig. Het enige geluid wat ik voor de rest nog zal horen is het klappen van de kauwgum van een van de twee oudere vrouwen en het gemopper van de ander.
Gelukkig wordt de muziek niet al te hard gezet.
Als snel wordt duidelijk wat mijn taak is in het geheel.
Om het kwartier geeft de chauffeur een sigaret aan de man tussen ons in. Ik pak dan mijn aansteker en steek de sigaret aan. Na twee halen krijgt de chauffeur de sigaret.


De witte Mercedes, onderweg

Het landschap is saai en eentonig. De Sahara is echt begonnen. Rechts van ons de oceaan. De rest is hard en vlak. Tussen de stenen proberen geharde planten zich staande te houden.
Omdat ik in de auto niet kan lezen en er niets te zien is, gaan mijn gedachten op de loop.
Ik denk aan de natuurfilms over de woestijn. Hoeveel dieren en planten hier nog een bestaan vinden. Over dat dit de ideale plek is voor een gevangenis.

Zaterdag 4 januari. La Ayoune – Dakhla. 544 kilometer.
Voor de bus sta ik op plaats nummer 10. Er zijn maar 3 plaatsen beschikbaar. Complet. Weer een grand taxi.
In de minstens twintig jaar oude Peugeot 504 zit in helemaal links op de achterbank. Mijn linkerschouder tegen de ruit, mijn rechterschouder tegen de rugleuning. We vertrekken om kwart over tien. We komen om kwart over zes aan. Drie kwartier lunch. 544 kilometer niets. Een hardblauwe lucht, voor het eerst geen wolken. Rechts meestal een blauwe zee. Zo nu en dan het hutje van een visser. Voor de rest een eentonige vlakte. Zelfs de schaarse vegetatie wordt minder. Totdat zelfs dat er stukken niet meer is. De Westelijke Sahara is heel veel van niets.


Veel van niets

Op zo’n vijftig kilometer na. Daar lijkt het op een open mijn. Ik weet dat de Westelijke Sahara een van de grootste leveranciers in de wereld is van fosfaten en dat die gewonnen worden in open mijnen. Is dat hier?
Ook bij Dahkla wordt de taxi aangehouden. De politieman heeft me allang zien zitten en ook ik ken zo langzamerhand de routine. Bij iedere stad is het wel een paar keer raak. Ik geef mijn paspoort. De politieman bladert en kijkt. De chauffeur is al uitgestapt en morrelt aan de achterdeur. Ik stap uit. Mijn pas is inmiddels doorgegeven aan een jongetje en de politieman wijst naar de hut, ik weet wat er moet gebeuren en loop er heen.
Achter een wrak tafeltje zit een morsige agent. Hij deelt het kleine hok, niet meer dan twee bij twee, met enige honderden vliegen. In een vensterbank staat een half glas thee, het glas is net zo grauw als de ruit. De politieman is bezig de gegevens over te schrijven op een velletje papier en ik moet nog enige aanvullende gegevens verstrekken, waaronder de voornamen van mijn ouders. Op het tafeltje staat ook een typemachine, de oudste van het land. Er zitten een aantal vellen in, met carbon ertussen. In het Frans heeft de man daarop de namen getikt van de buitenlanders die zijn post zijn gepasseerd. Voor iedere persoon is dat een standaard zin en ik weet dat ik er ook op zal verschijnen. Ze hebben daarvoor naast mijn paspoortgegevens de voornamen van mijn ouders nodig en mijn beroep. En op al die posten heten mijn ouders anders. Want na de eerste keren heb ik geen zin meer om de spelling te verbeteren.

dromedarissen

Zaterdag 4 januari 1997 tot dinsdag 7 januari 1997, Dakhla.
De kunst is het vinden van vervoer. Er rijden geen bussen of taxi’s richting Mauritanië. Op de camping buiten het stadje staan de buitenlanders die naar Mauritanië zullen gaan. Spoedig vind ik iemand met wie ik mee kan rijden. Fiete, een Duitser, in een Nissan Patrol, die hij ergens in Afrika wil verkopen. Van de opbrengst hoopt hij zijn vakantie en de terugreis te betalen.
De grens met Mauritanië is maar gedeeltelijk open. Twee keer per week wordt door het Marokkaanse leger een konvooi georganiseerd. Ik ga met het konvooi van dinsdag. Vooraf moeten allerlei formaliteiten geregeld worden. Op maandag langs de politie om de gewone uitreispapieren in orde te maken en daarna naar de douane voor de uitvoerpapieren van de auto’s.
Al snel wordt het een gezellige boel omdat tientallen terreinauto’s, gammele Peugeots, oude Mercedessen, een aantal motoren en nog een paar vreemde voertuigen het stadje op zijn kop zetten. Dit is de rand van de wereld en er verschijnen randfiguren. Een groep van acht Oostenrijkse auto’s, die vlak achter elkaar aanrijden, ze hebben onderling al een botsing gehad. Een chic Frans reisgezelschap, in splinternieuwe Mitsubishi’s, vol met reclame. De auto’s worden voor vertrek uitgebreid gewassen. De Australiër Brett, die in Leiden woont, samen met twee Engelsen, in een 25-jaar oude Landrover. Hun bijnamen staan erop. Krentenbrett, McNeil O’Neill, Florence McNurse. Een Italiaan met woeste haren en wilde ogen op een motor. Een groep Duitsers, waar ook Fiete toe behoort. Van redelijk georganiseerd en op veiligheid gericht tot losgeslagen dronkaards. Zwitsers. Nog meer Fransen. Twee groepen motorrijders. En natuurlijk wat Nederlanders.

Dinsdag 7 januari Dakhla – Marokkaanse kant van de grens, 420 km.
‘s Ochtends voor vertrek moeten de hele groep, die uit 60 voertuigen en 117 personen bestaat, zich melden bij de militaire begeleiding. Iedereen moet twee pasfoto’s inleveren en wordt opgeschreven. Het circus kan beginnen. Om elf uur staan alle voertuigen bij de controlepost aan de rand van het stadje. Voertuig na voertuig moet er naar toe. De namen, paspoortnummers en de voornamen van de ouders worden nog een keertje opgeschreven. De paspoorten worden ingenomen, er is geen weg terug. Een paar Nederlanders zonder visum worden uit de groep gehaald.
Zij, die verder mogen moeten zich opstellen aan de andere kant van de controlepost. Dakhla ligt op een schiereiland in de oceaan, maar het blijft de Sahara. Op de zandvlakte waar we staan is het in de schaduw van de auto’s 35 graden Celsius. De zon brandt genadeloos.


opstellen

Tegen het eind van de middag, 5 uur, kunnen we vertrekken richting grens. We rijden, met maar één stop, door naar de overnachtingsplaats aan de Marokkaanse kant van de grens. Om ongeveer middernacht wordt door sommigen nog wat gekookt, de meesten gaan meteen slapen. Ik heb geen slaapzak, geen bed, ik slaap op de rechtervoorstoel van de Nissan Patrol.

Woensdag 8 januari. Marokkaanse kant van de grens – Mauritaniaanse kant van de grens 30 km.
De zonsopgang is prachtig. Venus straalt als ochtendster en ook de maan komt vlak voor de zon op. Het is bijna nieuwe maan, het begin van de islamitische vastenmaand Ramadan, en we zien maar een flinterdun schijfje.
Rond negen uur krijgen we onze passen terug van de Marokkaanse militairen, de plastic zak wordt geleegd op de motorkap van een auto en we mogen er naar graaien. Daarna vertrekken we in konvooi naar de grens. Hier houdt de asfaltweg op en begint de piste. Het is zaak de juiste route te rijden want het niemandsland ligt vol met mijnen. In het konvooi gonst het van verhalen over lieden die op mijnen gereden zijn. De militairen sturen ons verder het niemandsland in en na een paar honderd meter zien we de eerste Mauritaniaanse militair. We stoppen. Het pad verdwijnt er in het losse zand. Aan de andere kant van de zandkuil zit iemand op een stoel. Daar moeten we naar toe, maar dat zal nog wel een tijdje duren. Het zand is voor de terreinwagens geen probleem maar voor de gewone auto’s een barrière. Alleen met voldoende snelheid haal je het. Zestig kilometer per uur en in de tweede versnelling, laat de motor maar brullen en beslist niet remmen of ontkoppelen. Als je het goed doet, glijd en slip je er doorheen. Tientallen auto’s komen vast te zitten en moeten eruit getrokken en geduwd worden.
Op de stoel, in de brandende zon, zit een militair die de passen controleert. Hij zet er een krabbeltje bij. Dan mag je de heuvel op naar de volgende post.
Er is met stenen en wat spoorwegrails een muurtje gebouwd. Er achter staat een houten hut. We moeten ons voor het muurtje verzamelen, auto voor auto mogen we passeren en ons melden in de hut. Alle gegevens worden genoteerd en de paspoorten worden ingenomen. Daarna moeten we ons opstellen en wachten totdat iedereen aan de beurt geweest is.


stilstaan in het zand

In het konvooi wordt in de tussentijd veel gepraat over de routes door Afrika. Ik luister en ik vraag. Ik weet inmiddels een hoop van de handel in tweedehands auto’s. Misschien probeer ik het volgend jaar ook eens. Maar niet alleen, ik moet een paar avontuurlijke types vinden, met verstand van auto’s, die mee willen.
We moeten wat extra wachten omdat de chique Franse Mitsubishi’s met grote hoeveelheden francs de militairen omkopen en onder begeleiding mogen vertrekken.

eventjes lekker scheuren

Tegen halfvijf ‘s middags is iedereen erdoor. De dienstdoende militair is terug en vindt een auto waarin een zitplaats voor hem is. Hij vertrekt en iedereen rijdt er achteraan.
Een andere militair komt aanrennen en blaast op zijn fluit. Hij stopt het konvooi. Er zijn een zestal auto’s ontsnapt. Een motorrijder, de Italiaan met de wilde ogen, wordt opgedragen die wagens terug te halen. Het duurt een uurtje. Daarna vindt ook deze militair een auto met een lege zitplaats. Hij stelt zich ermee vooraan op en we mogen weg. Fiete, de eigenaar van de Nissan, verteld me dat deze militair beslist op de tweede plaats wil rijden. Afrikaanse status.
We worden 15 km door de woestijn naar de overnachtingsplaats geleid. Onderweg, in het donker, passeren we nog een flinke strook met zand, veel auto’s komen er vast te zitten.
Tegen tienen eet ik wat roggebrood met kaas; Fiete zorgt goed voor me. Ik slaap nog een keer in de voorstoel.

Donderdag 9 januari. Naar Nouadhibou, 40 km.
Tegen negen uur vertrekken we naar een eerste controlepost, nog zo’n wrakkig huisje. De passen liggen er op stapeltjes, per nationaliteit. Je moet je eigen pas eruit vissen, de gegevens worden op een vel papier geschreven, waarna de pas weer op een hoop gesmeten wordt. Hier zijn we een ochtend mee bezig. Gelukkig is het bewolkt.
We rijden daarna door naar een tweede huisje waar we onze pas terugkrijgen. Je roept je nationaliteit en als je de eerste ervan bent krijg je de paspoorten.
De volgende etappe eindigt in een grote kuil in de woestijn. Nadat iedereen is opgesteld, loopt een militair langs die de kentekens van de auto’s opschrijft.
Ondertussen zijn locale handelaren en gidsen verschenen. Ze doen hier en daar een bod op een auto, maar er wordt niet verkocht. Iedereen wil er eerst verder mee naar het zuiden. Mauritanië is geen goed land om je auto te verkopen.
De gidsen proberen allerlei mensen en groepen voor te laten trekken bij de militair, die de leiding heeft, en soms lukt het. Een gedeelte van het konvooi accepteert het gelaten. Dit is Afrika en alles heeft zijn eigen tempo en regels. Anderen winden zich op.
Ik ben moe en ik droom van een heet ligbad, een warme maaltijd en ijskoud bier. Mijn medereizigers lachen me uit. Ze voorspellen nog een nacht in de woestijn.
Als het kenteken van je auto is opgeschreven mag je je melden in het eerste huisje, waar weer eens alle gegevens worden opgeschreven. Als je bij het tweede huisje geweest bent en de dienstdoende militair je gekoppeld heeft aan een commerciële gids, mag je per groep weg. Vriendjespolitiek regeert.
Tegen drie uur ‘s middags rijden we dan eindelijk naar Nouadhibou, de camping of, in mijn geval, het hotel.
Eindelijk kunnen de schoenen uit en ik slaap die nacht 12 uur. De douche is koud, maar het bier ook. Ik ben tevreden.