Afrika reis

Ik heb zojuist ook het tweede en het derde deel van mijn Afrika reis gepubliceerd.

Overzicht

Gibraltar

Regen

Tanger, Marokko

Essaouira, Marokko

Essaouira, Marokko, foto’s

Marrakech, Marokko

Agadir, Marokko

Taroudannt, Marokko

Door de Sahara, Marokko, Westelijke Sahara, Mauretanië

Nouakchott, Mauretanië

St. Louis, Senegal

St. Louis, Senegal, foto’s

Dakar, Senegal, foto’s

Bakau, Gambia

Casamanche, foto’s

Bubaque, Guinee Bissau

Koumbia, Guinee

Dalaba, Guinee

De Niger over, Guinee

Dogon, Mali

Djenné, Mali

Sassandra, Côte d’Ivoire

Abidjan, Côte d’Ivoire

Busua, Ghana

Kokrobite, Ghana

Ganvié, Benin

Grand Popo, Benin

Lomé, Togo

 

 

Voodoo

Lomé, Togo, 11 – 15 april 1997

De laatste dagen van mijn reis zijn aangebroken. Ik breng ze door in Lomé, de hoofdstad van Togo. Ik ben moe, vier maanden hard reizen, veel schrijven laten hun sporen achter.

Ik zit te lezen op het terras van hotel Le Galion. Onder de ventilator want het is gruwelijk warm. Een blanke man komt op me af. Hij stelt zich voor als Johann, hij is Duitser. Begin dertig, groot en fors.
Duitsers zijn goede reizigers. Ze zijn avontuurlijk, een beetje wild. Ze gaan een goed gesprek niet uit de weg.
Johann is anders, waarom weet ik niet.
‘Ik ga naar de fetisj markt,’ zegt hij. ‘Heb je zin om mee te gaan.’
Le marché des féticheurs. Ik moet er nog heen. Ik kijk hem aan en ik twijfel.
‘Ik spreek geen Frans,’ zegt Johann. Hij veegt met de achterkant van zijn hand zijn lange zwarte haren uit zijn gezicht.
‘Oké.’ Ik hak de knoop door.
De fetisj markt is een kleine markt, helemaal gericht op het toerisme. Er liggen schedels, gedroogde beesten, potjes met dit en met dat. Meteen als we de hoek omkomen rent een jonge man op ons af. Een gids. We onderhandelen over een prijs. Het is duidelijk dat we hier zonder hem niets te zien krijgen.


schedels

Ik bekijk de schedels, maak foto’s, terwijl de gids zijn routineverhaaltje afsteekt. Ik luister niet.
‘Ik wil een fetisj,’ zegt Johann plotseling.
De gids grijnst, brengt ons naar een kleine tent, achteraan op de markt.
‘Een grote meester,’ zegt hij en buigt zijn hoofd respectvol.
‘Vast familie,’ fluister ik naar Johann.
De gids geeft een teken en een jongetje begint te rennen. Even later arriveert een oudere man. Hij heeft een lichtbruine huid en grijzend haar. Een statige houding. De féticheur. We zijn een grote prooi en moeten goed aangepakt worden.
‘Dit gaat geld kosten,’ zeg ik tegen Johann. Maar hij hoort het niet, hij is druk in de weer zijn geluidsopname apparatuur in te stellen. Geen woord wil hij missen.
Een voor een worden de fetisjen getoond. Uiteindelijk kies ik voor een zakje met honderden kruiden, ik zal geluk hebben zo lang ik het draag. Een fetisj voor een veilige reis naar huis. En tenslotte een fetisj voor de liefde. Ik hoef er alleen een druppeltje parfum op te sprenkelen. Sterke drank kan ook. En dan, terwijl ik het in mijn linkerhand hou, zeven keer de naam van mijn geliefde noemen. Ze is daarna van mij. Ik popel om het uit te proberen.
De féticheur legt mijn objecten bij elkaar. Er volgt een heel ritueel om ze te begeesteren.
‘Zwarte magie,’ vraag ik hoopvol.
‘Nee.’ Hij schudt heftig zijn hoofd. ‘Hier gebruiken we alleen witte magie.’
Ik maak me een beetje ongerust. ‘Maar het werkt toch wel op Nederlandse vrouwen?’
‘Alle vrouwen.’
‘Maak het toch maar extra sterk.’
De féticheur vervolgt zijn ritueel, hij legt ondertussen uit wat hij doet. Zijn Engels is prima, geperfectioneerd in het jarenlang betoveren van toeristen.
Johann maakt foto’s en kijkt op zijn opnameapparatuur. Als de wijzertjes niet voldoende uitslaan, vraagt hij de féticheur of hij een stukje kan herhalen.


wie is wie

Nadat alle voorwerpen zijn ingewijd, wordt de prijs bepaald. Gewoon een prijs noemen kan natuurlijk niet, wie weet wat er dan verkeerd kan gaan. Nee, de geesten moeten het doen. De féticheur neemt een handvol botjes en werpt die op de grond.
‘Twintigduizend CFA’, zegt hij tegen mij. Zeventig gulden. Heeft de geest toch niet goed in mijn portemonnee gekeken want zoveel heb ik niet eens bij me. Uiteindelijk weet ik af te dingen tot vierduizend CFA, dertien gulden. Niets menselijks is die geesten vreemd. Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.
Natuurlijk moet Johann meer betalen.
‘Veertigduizend CFA.’ De geesten hebben het op hem voorzien. En hij heeft meer fetisjen dan ik.
‘Duizend CFA,’ gokt hij. Drie gulden.
De féticheur springt uit zijn vel. Hij vindt het een belediging.
‘Je hebt foto’s gemaakt en opnames.’ Hij wijst op de geluidsapparatuur.
Johann kijkt mij aan. ‘Duizend vind ik genoeg,’ zegt hij.
Ik haal mijn schouders op. Dit is niet mijn probleem.
‘Ik wil minstens tienduizend voor de foto’s en de opname,’ zegt de féticheur. ‘Of anders moet het bandje leeggemaakt worden.’
‘Duizend,’ zegt Johann. ‘Inclusief de fetisjen.’

Er volgt een opstootje. Allerlei mensen bemoeien zich ermee en uiteindelijk bestelt de féticheur een taxi om naar de politie te gaan.
‘Jij moet die taxi ook betalen,’ fluister ik Johann toe. ‘Je kan beter die opname leegmaken en die fetisjen teruggeven.’
‘Ja, maar ik wil die opnamen en die fetisjen.’
‘Dan moet je handelen en tot een akkoord komen. Maar je krijgt alleen een goede prijs als je bereid bent om weg te lopen.’
Hij kijkt me aan of hij water ziet branden.
‘En wat je in ieder geval moet doen, is respect tonen.’
Maar Johann snapt het niet.
‘Naar het politiebureau,’ zegt de féticheur.
‘Nee,’ zegt Johann.
‘Dan moet je betalen,’ zegt de féticheur.
‘Nee,’ zegt Johann.
‘Dan moet je de opnames wissen en de fetisjen teruggeven,’ zegt de féticheur.
‘Nee,’ zegt Johann.
‘Hee, je zal ergens voor moeten kiezen,’ zeg ik in het Duits, er op gokkend dat de geesten dat hier niet spreken.
Hij kijkt me hulpeloos aan.
‘Wat moet ik doen,’ vraagt hij.
‘Wat wil je betalen.’
‘Duizend.’
‘Doe niet zo dom,’ zeg ik. Onderhandelen is niet gemakkelijk voor een Europeaan, maar Johann slaat alles. Zijn schouders hangen en hij jammert.
‘In het binnenland, in de dorpen ging alles gemakkelijker.’
Maar na een paar minuten besluit hij dat hij wel meer wil betalen. En ik mag de kastanjes uit het vuur halen.

Ik loop op de féticheur af en leg hem het compromis voor. De taxichauffeur kijkt bedenkelijk. Daar gaat zijn vrachtje.
‘Hij wil tienduizend betalen.’
‘Te weinig,’ zegt de féticheur.
Ik buig me naar hem toe. Ik fluister.
‘Kan je die liefdesfetisj van hem niet onklaar maken. Hij is te erg voor vrouwen.’
Hij knikt en een lachje speelt rond zijn mond.
We schudden de hand. De geest is in de fles en alles in kannen en kruiken.


Liefdesfetisj

Later in de middag op het terras van het hotel geeft Johann me een pilsje als dank.
Hij kijkt me met grote ogen aan. Hij legt zijn hand op die van mij.
Mijn hart begint sneller te kloppen en het bloed suist in mijn oren.
‘Ik moet pakken,’ stamel ik. Ik vlucht naar mijn kamer en draai de deur op slot.
Die nacht vertrek ik per vliegtuig naar Parijs.

Lomé, tip


hotel Le Galion

In Lomé heb ik een aangename tijd gehad in hotel Le Galion. Emile is de eigenaar en weet alles van Lomé, van Togo en van de omliggende landen. Hij bespaarde mij duizend gulden door mij te helpen met mijn terugreis. De kamers zijn redelijk goedkoop, heel schoon en comfortabel.

 

De zee

Grand Popo, Benin, 7 – 11 april 1997

Op het bord op het strand staat, baden op eigen risico. Maar zo’n bord staat er ook bij het zwembad, en dat is nergens dieper dan anderhalve meter en net zo warm als mijn ligbad thuis. Bij het zwembad is het grootste gevaar dat je van puur genot in slaap valt.
Maar de zee, de zee hier is anders. Het strand loopt heel schuin af en daarom slaan de golven twee keer over. De eerste keer zo’n twintig meter uit de kust en de tweede keer precies op de rand van water en zand. Het is een spannend gezicht, je ziet de golf groeien om dan voor de eerste keer, met een grote hoop schuim over de kop te gaan. Die schuimmassa rolt dan naar het strand, maar vlak ervoor richt zij zich nog een keertje op, uit het niets lijkt het, om met donderend geweld op het strand te storten.
‘Kom maar op,’ roept zij. De zee is vrouwelijk, in het Frans, in het Nederlands en in het echt.
‘Kom maar in me als je durft.’
Ik ben een Hollander. De zee geeft en de zee neemt, maar met een vinger in de dijk kunnen we haar wel de baas.
Ik toon haar die vinger en ze buldert van het lachen en beduusd druip ik af.


Het strand en de zee bij Grand Popo

Maar de volgende dag sta ik er weer. In mijn zwembroek.
Ze lacht en daagt me uit. Ze draait en maakt me gek.
Ik leg mijn handdoek neer en loop naar haar toe. Eventjes speelt ze met water rond mijn voeten om dan aan me te trekken en te zuigen. Ik moet mee, ik duik en laat me helemaal gaan.
Ik zwem een paar meter van het strand, voorbij de eerste branding, iedere paar seconden komt er een muur van schuim op me af. Er tegen in zwemmen lukt niet, ik duik er onderdoor.
Even spelen we met elkaar op basis van gelijkwaardigheid. Ik voel me sterk, ik duik onder haar golven en ben bijna ook de tweede branding voorbij.
‘Ik heb je,’ roep ik en voordat ik duik hoor ik haar nog zachtjes lachen.
Als ik bovenkom, buldert ze.
‘Nee,’ roep ik.
Maar het water voor me rijst en rijst. Een grootmoeder van een golf. Vlak voor dat het water zich op me stort duik ik. Ook onder water trekt ze aan me.
Als ik bovenkom zie ik dat de grootmoeder niet alleen is, ze heeft haar zussen bij zich. De regels zijn veranderd. Ik draai me om en zwem naar het strand. Vijfentwintig meter maar.
Het water stort zich van achter op me. Ik kan nu niet duiken. Dus ik zwem in het schuim dat over me heen rolt.
Dan is het voorbij en ik ben nog steeds net zo ver van het strand, lijkt het.
Heel snel kijk ik over mijn schouder, dat had ik niet moeten doen. Een Niagara van schuim komt op me af.
‘Wil je niet meer spelen,’ hoor ik haar uitdagende stem en dan pakt ze me beet en duwt me onder, wil me om mijn as draaien. Ik verzet me met alle kracht en proestend kom ik boven.
Ik durf niet meer achter me te kijken, ik zwem of mijn leven er van afhangt. Maar het lijkt of ik verder in zee gezogen word. Het geraas achter me is oorverdovend, een jumbo grijpt me beet. Ik word opgetild en verlies ieder oriëntatie. Ik word meegesleurd.
En dan realiseer ik het me. Ze is te groot en sterk voor me.
Ze smijt me in het rond en dan is het voorbij. Terwijl het water nog met flinke kracht langs me heen stroomt lig ik met mijn buik op het strand.
Ik kijk om en zie hoe de volgende golf zich al weer vormt. Ik sta op en spurt buiten haar bereik.
‘Dag jongetje,’ zegt ze en ze spettert me voor de laatste keer nat.
Langzaam loop ik naar het zwembad en laat me in het veilige, warme water zakken.
De zee heeft me mijn plaats gewezen.


visje

Ganvié

Lomé, Togo, 1 – 4 april 1997
Cotonou, Benin, 4 – 7 april 1997

Ganvié is een vissersplaatsje in het Nokoué meer. Een dorp op palen. En ook een enorme toeristenattractie.


een dorp op palen

De Tofinu vluchtten hierheen in de 18e eeuw. Het meer en het moeras beschermde hen tegen oorlogzuchtige stammen uit het noorden. Ze leven volledig van de visvangst. Ze kweken ook de vis door op verscheidene plaatsen takken in het modder te steken. De bladeren verrotten en de vis eet er van.


veroverd door het toerisme


al het vervoer vindt over water plaats

 

Dollarisme

Kumasi, Ghana, 24 – 27 maart 1997
Kokrobite, Ghana, 27 – 31 masart 1997
Accra, Ghana, 31 maart – 1 april 1997

Ik ben in Kumasi, een grote stad in Ghana, enige honderden kilometers van de kust. Ghana is christelijk. En daarvan willen ze getuigen ook.
Waar anders dan hier heb je Autospuiterij Psalm 23. (De heer is mijn herder, staat er bij geschreven). Of Kapsalon De wil van God. En uit vele winkeltjes en bedrijven schettert de gospel net zo hard als de reggae.


Zonder krullen, a.u.b.

Net als in andere steden van Ghana is Kumasi volop in ontwikkeling. Er worden nieuwe wegen aangelegd. Huizen gebouwd. Overal zie je auto’s en brommers, afval, computerwinkels, nette pakken met stropdassen, veel schreeuwerige reclame.
Ik ga op zoek naar een boekhandel. In een Engelstalig land moet ik toch een leuke thriller kunnen kopen. En er zijn veel bookshops.
De eerste verkoopt alleen kantoorartikelen.
‘Romans,’ vraag ik.
De eigenaar, een wat oudere man, loopt naar buiten en legt uit dat ik om de hoek moet wezen en dan de straat uit.
Ik doe wat me gezegd wordt, dat gebeurt niet vaak. En ik vind de volgende boekwinkel, een grote, zo lijkt het. Maar binnen is alleen christelijke literatuur te krijgen. Er zijn mensen die vinden dat dit precies is wat ik nodig heb. Maar een Amerikaans boek met geselecteerde bijbelteksten of het levensverhaal van een televisieprediker is niet wat ik spannend vindt.
Na nog twee grote boekhandels, andere kerk, andere bekeringen, heb ik het gevoel dat ik in zonde leef. In een achteraf straatje, in een klein boekwinkeltje trap ik de duivel op zijn staart. Ze verkopen er tweedehands romans. Ook thrillers, met moord- en doodslag. Leuk.

Ik ben verbaasd over de dynamiek van de steden van Ghana. Ik heb dat alleen nog maar in Abidjan, Côte d’Ivoire, gezien. Maar daar zag je op de achtergrond de hand van de vele Fransen, die er wonen.
Ook hier zie je heel veel hele kleine bedrijfjes, en ook grotere. En minder blanken.

Later, in Kokrobite (ko-kro-bie-teh), aan de kust, kom ik Norman tegen. Een Deen. Hij heet niet echt Norman, maar is zo gedoopt door Engelsen, die vinden dat hij op Norman Wisdom lijkt.
Norman doet onderzoek in Ghana. Recente geschiedenis. Van de laatste twintig jaar.
We zitten op het strand onder een rieten zonnescherm.


strand

‘In de grote steden vind je een behoorlijke groep mensen, die op een westerse manier leven. Ze trekken zich minder aan van de uitgebreide familie. Ze werken, sparen soms, beginnen een bedrijf.’
Hij lacht. Hij heeft een smal gezicht, een grote zwarte bril, en een baseball pet. Hij ziet er cooluit.
‘Maar het overgrote deel van Ghana leeft zoals de rest van Afrika.’
Met zijn hand wijst hij naar het strand.

Aan het strand van Kokrobite bevindt zich Big Milly’s Backyard. Een hotelletje voor rugzakreizigers. Eenvoudig. Gezellig. Een ommuurde tuin met huisjes, kamertjes, koud bier en drie maal daags een simpele hap. Wendy is Big Milly. Een wat oudere Engelse vrouw die in Ghana haar stek gevonden heeft. Al bij mijn aankomst waarschuwt ze me.
‘Neem geen waardevolle spullen naar het strand. En laat ze ook niet achter op je kamer.’
Ik luister natuurlijk niet en in mijn geval loopt het goed af.

We lopen met ze vijven over het strand. Norman en ik. Drie Engelse vrouwen. Ook op vakantie in Ghana. En allemaal hebben we onze fototoestellen bij ons. Want er is veel te zien op het strand.
Meteen buiten de poort bevinden zich de vissersboten van Kokrobite. Langwerpig en traditioneel. De enige aanpassing aan de moderne tijd, maar wel een belangrijke, is dat aan de zijkant een driehoekige houten uitstulpsel zit, waaraan een buitenboord motor is bevestigd. Het vissen is hierdoor vele malen effectiever geworden.
Een stukje verderop wordt op een traditionele manier vanaf land gevist. Met een boot wordt een net enige honderden meters in zee gebracht. Vanaf land wordt het daarna binnengehaald. Er zijn tientallen mensen nodig om het net, met de schamele vangst, aan land te krijgen.
Twee kilometer verder zien we het volgende vissersdorp. De mannen zijn bezig om de schepen aan land te trekken, buiten de vloedlijn.
Maar voordat we bij dit van dichtbij kunnen bekijken, moeten we goed oppassen. Aan beide zijden van het dorp bevinden zich de stranden waar de bevolking haar behoefte doet. Onze neuzen waarschuwen ons al. Overal liggen de drollen. Eb en vloed zorgen voor de schoonmaak. Twee keer per dag wordt er doorgetrokken.
Het aan wal trekken van de vissersschepen is een flink karwei waar weer vele mannen en jongens voor nodig zijn. Er wordt gebruik gemaakt van planken en ronde stalen buizen om de schepen over het strand te rollen. Als ik een foto maak, van enige afstand, houdt het werk op en komt iemand naar me toe om af te rekenen. Je bent blank en overal is er sprake van dollarisme.


vissen

Op heel veel plaatsen in Afrika zijn er twee prijzen en twee behandelingen. Op eerste gezicht lijkt het racistisch. Blanken betalen veel meer en worden anders, vaak beter behandeld dan zwarten. Totdat je nauwkeuriger kijkt. Ook de zwarte Engelse wordt anders behandeld. Moet meer betalen.
En dan realiseer ik me dat het afhangt van de portemonnee, dollars.
Veel Afrikanen zijn, tot in hun ziel, dollaristisch. Als ze een rijke buitenlander zien, dan is het jachtseizoen geopend. En voor hen zijn alle westerlingen rijk, ook de armste rugzakreiziger. En daarin hebben ze gelijk. Want tussen die reiziger en de rijkste man ter wereld, Bill Gates, is minder verschil dan tussen die reiziger en het overgrote merendeel van de Afrikanen. Wij kunnen keuzes maken, reizen, geld verdienen in ons eigen land. Voor het overgrote deel van de Afrikanen ligt die vrijheid buiten bereik.

Als we langzaam teruglopen naar het dorp, groet een zwarte jonge man ons en loopt met ons mee. Ieder moment verwacht ik een verkooppraatje. Misschien wacht hij totdat we zijn strandhutje passeren.
Maar hij heeft iets anders op het oog. En als ik door het water plons, mijn slippers in de hand hoor ik achter me een schreeuw. Van een van de Engelse vrouwen. Ik draai me om. De zwarte man loopt hard weg.
‘Hij heeft mijn rugzakje,’ roept de Engelse vrouw.
Norman rent. Ik ren.
Door het mulle zand en daarna twee meter klimmen om van het strand af te komen, een weg over. Een paar Ghanese mannen zien ons rennen en proberen de dief te onderscheppen, maar hij is behendig en vlucht een gebied met bosjes is.
‘Vijfduizend cedi’s, reward, ‘ roep ik. Vijf gulden beloning.
De achtervolging wordt ingezet. Maar als snel stap ik met mijn blote voeten in wat stekels en moet ik mijn slippers aantrekken. Norman en de Engelse vrouwen zijn op het strand achtergebleven. Ik loop verder, in de richting van de achtervolging, maar de meute is uit het zicht verdwenen. Na een paar minuten zie ik de achtervolgers staan. Het rugzakje ligt op de grond. Ik pak het op en loop ermee terug naar het strand.
De Engelse vrouw bekijkt de inhoud.
‘Mijn fototoestel is weg,’ zegt ze. ‘En de sleutel van mijn kamer.’

We besluiten maar terug te gaan naar het hotel. Niemand van ons heeft geld bij zich en als we tegen de Ghanese achtervolgers zeggen dat voor een beloning, en iets kleinere natuurlijk, ze mee moeten lopen naar Big Milly’s, een paar kilometer verderop, is er verbazingwekkend weinig animo.
Maar als we halverwege zijn komt een van de jongens ons achterop.
‘Key,’ zegt hij en wijst.
We overleggen en uiteindelijk besluiten Norman en ik om terug te lopen.

We proberen de jongen uit te horen, maar hij spreekt verder geen Engels. Als we weer bij de plek van de beroving zijn wijst hij naar het gebied van de bosjes. We lopen een stukje mee, maar we hebben het gevoel dat er iets niet klopt.
Na een paar minuten verschijnt er een oudere man, met nog maar een paar tanden in de mond. Toch denk ik dat hij jonger is dan ik. De man spreekt Engels en we vertellen hem van de beroving.
‘Je moet meekomen,’ zegt hij dan. Hij wijst naar een heuvel, waarop we een dorpje zien liggen. Een paar kilometer lopen, minstens.
‘Wat doen we,’ vraag ik Norman.
‘We hebben geen geld,’ zegt hij. ‘En wat moeten we daar doen.’
‘De verzekering dekt de schade,’ zeg ik. Dit keer heb ik geen zin om het avontuur tot het einde te volgen.
‘We gaan naar het hotel,’ zegt Norman tegen de oudere man.
De man protesteert en voor de tweede keer heb ik het gevoel dat er meer aan de hand is.
‘Wij willen de camera terugkopen,’ zeg ik tegen de man.
Weer probeert hij ons mee te krijgen naar het dorp, maar de beroving en alles wat er na gebeurt is, heeft ons voorzichtig gemaakt.
We vertellen hem in welk hotel we verblijven en drukken hem nogmaals op het hart dat we de spullen heel graag terug willen.

Een dag later ‘s avonds zitten we onder de bomen, bij Big Milly’s en praten over de diefstal met de man die is aangesteld als nachtbewaker. We hebben niets meer gehoord en vermoeden dat de camera inmiddels naar Accra verdwenen is.
‘Het zijn allemaal dieven,’ zegt hij.
‘Maar hier is het veilig,’ zeg ik gekscherend.
‘Zeker weten,’ zegt de nachtwaker, volkomen serieus. Hij is een wat oudere man, groot en gespierd. Hij draagt een vuil wit hemdje.
‘En als er iemand over de schutting klimt,’ vraag ik.
‘Dan schiet ik,’ zegt hij.
Een van de Engelse vrouwen reageert onthutst. ‘Maar je vraagt zo iemand toch eerst wat hij daar doet.’
‘Natuurlijk niet,’ zegt de nachtwaker, verbaasd over zoveel naïviteit. ‘Dan schiet hij eerst.’

Ghana, tips.


Alaska Beach

In Busua verbleef iedereen oorspronkelijk altijd in het Busua Beach Resort. Maar dat is inmiddels heel erg luxe, heel erg duur en heel erg steriel. Gelukkig zijn er andere plekken waar je naar toe kan. En vanaf nu, de eerste hut is net af, is er Alaska Beach.
Twee Amerikanen en een Ghanees hebben er een bar en als de elektriciteit er is, medio april, ook een restaurant. Reken dus maar op het najaar. Dan kan er weer redelijk goedkoop en leuk uitgerust worden in Busua. Want het strand is (bijna) perfect.
P.S. T-Ray gaat voor de beste hamburgers ten zuiden van de Sahara zorgen.


Big Milly’s Backyard

Kokrobite is niet ver van Accra. Big Milly’s Backyard is de plaats waar Wendy haar achtertuin heeft. Rugzakreizigers kunnen daar goedkoop en gezellig een paar dagen aan het strand doorbrengen. Pas wel op je spullen.


kust Ghana

Olie

Takoradi, Ghana, 18 – 19 maart 1997
Busua, Ghana, 19 – 24 maart 1997

Een van de mooiste stranden in West-Afrika is het strand van Busua. Het ligt vlak bij de haven van Takoradi. Het resultaat zie je op de volgende foto. Genomen op 22 maart 1997.


de zwarte strepen: olie

Onder het zand bevinden zich hele plakaten met olie. Dikke stevige plakaten.

 

Januskop

Abidjan, Côte d’Ivoire, 14 – 18 maart 1997.

Ik zit nu in Abidjan, in het Novotel. Na een week Côte d’Ivoire ben ik gevlucht naar een van de duurdere hotels van de hoofdstad. Ik ben aan de diarree. Ik heb een honderdtal bulten van beten door verschillende insecten. Muggen, tse-tse vliegen, spinnen, vlooien, allemaal hebben ze me te grazen genomen.
De enige tientallen muggenbeten zijn niet zo erg, na een paar uur zijn ze weg. Ik slik trouw iedere zondag larium, tegen malaria. Daarover hoef ik me dus niet ongerust over te maken. En de bijwerkingen van larium zijn bij mij beperkt gebleven tot wilde dromen in de eerste week. Ik mis ze nog steeds.
De zes beten van de tse-tse vlieg jeuken niet. Deze vlieg is groot, snel en zwart. Een beet heb ik zien gebeuren. Vanuit het niets was het beest daar, op mijn arm. Het leek te materialiseren als een ruimtevaartuig in een science fiction film. En nog voordat ik tijd had om te reageren, was het al weer weg.
‘Jezus,’ riep ik.
Ralph, de eigenaar van plek waar ik me bevond had het ook gezien.


Strand by Chez Ralph

‘Tse-tse vlieg,’ zei hij. ‘Een van de snelste dieren op de wereld, tweehonderd twintig kilometer per uur.’
Vier stuks zijn spinnenbeten. Grote rode vlekken met een hard wit centrum, op mijn benen. Dit is de tweede keer deze reis dat ik door spinnen gebeten ben. Het jeukt als een bezetene en zal minstens vier dagen het lopen onaangenaam maken.
Op mijn rug zit een wit plakkaat van onbekende oorsprong. En op mijn rechterschouder een veertigtal bultjes waarvan ik vermoed dat het vlooienbulten zijn. Een paar heb ik niet thuis kunnen brengen.
Vanuit mijn hotelraam kijk ik uit over een van de lagunes, waar rond omheen Abidjan is gebouwd. In de wijk Treichville, aan de overkant, woedt een enorme brand.
Ik probeer al een week Nederland te bellen, maar het blijkt niet mogelijk. De hele week vertelde de inlichtingen van de locale PTT dat de kabels voor Nederland kapot waren, vanaf gisteren kan er weer spaarzaam gebeld worden, maar de verbinding is erg slecht. De technicus van het hotel heeft de boel zo omgebouwd dat ik wel kan bellen met mijn portable maar niet meer met de telefoon. Maar alles zonder resultaat. Nederland blijft onbereikbaar.
Mijn paspoort ligt voor een visum bij de ambassade van Ghana, ik wil weg. Ik wil weg uit Côte d’Ivoire. Misschien het meest moderne land van West-Afrika, maar ik heb genoeg gezien.


Afrikaans vogeltje

Een week eerder vertrek ik naar Côte d’Ivoire, vanuit Bobo-Dioulasso, de tweede stad van Burkina Faso. De treinreis begint goed, slechts twintig minuten vertraging. De eerste klas is van abominabele kwaliteit, het leer van de stoelen is gescheurd, de rugleuningen kunnen niet achterover, het is niet schoon. Maar gelukkig is het niet al te druk. Ik kan zitten, en in de restauratie, een rijtuig verderop, zit een man met twee grote koelboxen. Er is koude frisdrank en bier. Hij kan koffie maken, en heeft belegd stokbrood. Al met al te goed voor Afrika dus slaat het noodlot toe. Na twee uur rijden gaat de trein langzamer rijden. En dan stapvoets.
Een conducteur komt langs, een dikke kale man in uniform, hij knipt drie gaatjes in mijn kaartje.
‘Waarom rijden we ze langzaam,’ vraag ik.
Hij kijkt uit het raam, doet eerst net alsof er niks aan de hand is.
‘In dit tempo zijn we volgende week dinsdag in Abidjan,’ zeg ik.
Hij lacht vrolijk en schudt dan zijn hoofd. ‘We zijn morgen in Abidjan.’
‘Maar wat is er dan aan de hand.’
Hij gaat op de bank tegenover me zitten.
‘De locomotief is stuk, raakt oververhit. Op het volgende station bellen we op, voor een andere.’
‘Dat gaat dat lang duren?’
Hij haalt zijn schouders op, hijst zich overeind en gaat weer verder met zijn werk.
Het duurt nog twee uur voor we op het volgende station zijn en we wachten daar drie uur. De bar naast het stationnetje beleeft gouden tijden.
De dikke conducteur komt er op een bepaald moment naast me zitten en drinkt een cola.
‘Morgen om twee uur zijn we in Abidjan,’ zegt hij vrolijk.
Hij heeft bijna gelijk, we zijn er om vier uur ‘s middags, in plaats van om halfnegen ‘s ochtends, bijna acht uur vertraging.
Op het station zwaai ik naar hem en steek mijn duim omhoog.

Côte d’Ivoire, en zeker Abidjan, is het andere Afrika. Vergeleken met de meeste West- Afrikaanse landen is de Ivoorkust rijk. De oude president, Houphouët-Boigny deed niet alleen in idiote projecten, hij liet ook een voor Afrika economisch redelijk ontwikkeld land achter. In dit land is er overal elektriciteit. De wegen zijn goed. In Abidjan zijn zakenwijken die op Europa lijken, met hoge kantoorgebouwen en taxi’s met digitale meters. Er is straatverlichting en hier en daar zelfs gesloten riolering. Ivoorkust is de derde koffieproducent en de eerste cacaoproducent ter wereld.

In Abidjan is er deze week een cultureel openlucht festival. In een groot park in het centrum zijn kramen en stalletjes. Alles nieuw en in vrolijke kleuren. Er is geen entree, maar bij de ingang wordt door een veiligheidsdienst vele jongeren de toegang geweigerd. Ik kan geen reden ervoor zien, maar ik vermoed dat het iets met koopkracht te maken heeft. En als je als blanke verschijnt, moet je langs de hele rij naar voren, je mag meteen naar binnen. Ik heb dat al op veel plaatsen in Afrika meegemaakt. En ik blijf me er beschaamd bij voelen, dit voortrekken. Een aantal keren heb ik geprobeerd te weigeren, maar dan is de verwarring compleet. En het helpt niet. Je bent blank en rijk en je moet als eerste.


Zairese band

Rondom de plek waar de optredens zijn heeft men restaurantjes gebouwd. Lange tafels waar wat gedronken en in ieder geval gegeten kan worden. Eten is hier belangrijker dan drinken. Het zijn maquis restaurants. Maquis is de naam voor de locale keuken, maar wordt nu eigenlijk door ieder restaurant gebruikt. Ik eet een halve kip, met rijst. Over de kip ligt een smakelijk saus van uien en paprika’s.
Ondertussen treed een Zaïrese dans- en muziekgroep op. Ik vind ze heel erg goed, maar een gedeelte van het publiek reageert vijandig. Bijna breekt een vechtpartij uit tussen de dansgroep en een paar jongens uit het publiek.
Terwijl ik mijn kip eet, komen een paar goed geklede jongeren bij mij aan tafel zitten. Ik ben op mijn hoede, maar als ze me wat te drinken aanbieden, laat ik mijn achterdocht varen. Ten onrechte.
‘Wat is er aan de hand,’ vraag ik terwijl ik naar de Zaïrese groep wijs. Maar op dat moment worden de lastposten al door de rest van het publiek en het overmatig aanwezige veiligheidspersoneel onschadelijk gemaakt. De Abidjanen weten het ook niet.
‘Is er vanavond ook een band’ vraag ik.
‘Ja,’ knikt Eric, een grote slanke man, brede schouders, de leider van het groepje. Hij heeft heel kort haar en diepliggende donkere ogen. Hij zegt weinig en vanaf het begin voel ik me niet echt op mijn gemak bij hem. Aan het eind van de middag verzin ik een smoes om terug naar mijn hotel te gaan, Eric zegt dat hij ook die kant op moet, dus zit ik in de taxi bij hem. Tot mijn hotel betaal ik wat er op de meter staat.
Als ik ‘s avonds even ga kijken op het festival terrein, midden in de stad, is er geen live-band maar staat Eric en zijn maten al op mij te wachten.
Ik ga zitten en bestel een biertje.
Het meisje dat bedient is erg mooi en kijkt me vanuit haar ooghoeken aan. Ik ben blijkbaar niet de enige die dat opvalt. Even later fluistert Eric wat met een van zijn vrienden die even weg was.
‘Yvonne wil vanavond met je mee,’ zegt hij.
‘Yvonne,’ zeg ik, maar ik weet al waar het heen gaat.
‘Het meisje daar.’ Hij knikt met zijn hoofd.


Zairese band

Veel blanken, mannen en vrouwen, ontkomen niet aan, of zoeken zelfs een vriendje of vriendinnetje hier in Afrika. Niets is gemakkelijker.
Maar het is niet wat ik hier wil en zeker niet op deze avond, met deze mensen erbij.
Ik haal mijn schouders op.
‘Ik weet het niet.’
Ik zoek een uitweg en als Frank, een Fransman, langsloopt, ik had hem al een paar keer gezien, begin ik een praatje met hem. Hij is al behoorlijk aangeschoten.
‘Je moet oppassen voor die gasten,’ zegt hij in het Engels.
De jonge mannen verstaan het niet, maar ze zien hun opzetje mislukken.
Frank en ik praten wat over Abidjan. Hij heeft een bedrijfje hier en is de impresario voor een aantal dans- en muziekgroepen. Even later besluiten we weg te gaan.
‘Ik weet een leuke tent,’ zegt Frank. Hij is lang en heeft een net pak aan, maar doordat hij teveel opheeft zwaait hij heen en weer. Maar weggaan is niet zo gemakkelijk.


Zairese band

‘Je kan niet weggaan,’ roept Eric tegen me.
‘Waarom niet,’ vraag ik hem.
‘Je bent onze vriend,’ zegt hij. ‘En die Fransman deugt niet.’
Hij begin daarna Frank uit te schelden. Het worden een tiental enge minuten. Er vallen wat klappen tussen Eric en Frank. Ondanks zijn dronkenschap kan Frank Eric de baas, maar dan zijn er altijd nog de vrienden. In de verwarring weet ik Frank in een taxi te krijgen. We rijden snel weg.
‘Hij is van mij,’ roept Eric ons na.

De tent waar Frank me heenbrengt blijkt aan de rand van de stad. Het is een hoerenkast. Frank heeft geen geld bij zich en ik had uit voorzorg weinig meegenomen. Ik betaal. En in een opzicht blijkt Eric gelijk te krijgen. De Fransman deugt niet. Het incident heeft hem over een bepaalde grens gedreven, zijn ogen glimmen woest en hij lijkt op zoek naar ruzie. Ik besluit hem zo snel mogelijk kwijt te raken. Ik gebruik weer dezelfde tactiek als eerder op de avond. Niet tegen de stroom in maar voorzichtig uit de stroom weg zwemmen. Hopenlijk gaat het nu beter.
Frank wil geld van me lenen.
‘We rijden straks even langs mijn appartement en dan krijg je alles terug.’
Ik leen hem 5000 franc CFA, zestien gulden. ‘Ik wil wel zo naar huis, Frank,’ zeg ik.
Hij knikt en vertrekt uit de bar.
Het is een open bar, waar een viertal meisjes werken onder leiding van een oudere vrouw. Er zijn nog twee klanten. Europeanen. Scheel van dronkenschap. De eerste laat zich gemakkelijk door een meisje meetronen, maar de ander is ontevreden en lastig. Een van de meisjes is heel mager en heeft een spijkerbroek aan. Een tweede is juist heel dik en de minirok bolt alle kanten op. Numero drie heeft een goed figuur maar een ontzettend moe gezicht. Achter de bar staat de vierde. Ze is heel mooi, een pracht figuur en een vrolijk, expressief gezicht.
De eigenaresse van de tent komt bij me zitten. Ze heet Mary en spreekt goed Engels. Je kan zien dat ze haar hele leven in het vak zit.
‘Ik ben Mary,’ zegt ze.
‘Ah,’ zeg ik. ‘Holy Mary.’
Ze lacht hard, en toont de valse tanden in haar mond. Ze bestelt wat te drinken. Ik moet betalen. Zo gaat dat in een hoerenkast.
We praten wat over Afrika.
‘Wil je een meisje,’ vraagt ze, ze kijkt in de richting van het mooie meisje achter de bar. Ik volg haar blik en het meisje kijkt mij hoopvol aan. Maar ik schud mijn hoofd.
‘Ik drink alleen wat,’ zeg ik.
Mary legt haar hand op mijn arm.
‘Je moet oppassen voor die Fransman,’ zegt ze.
Ik knik. Ik weet het.
Met haar glas in de hand gaat Mary aan de bar een probleem oplossen. De Europeaan aan de bar wil niet met het magere meisje mee. Hij spreekt slecht Frans, ik houd hem voor een Duitser, alhoewel hij de snor heeft van Vaclav Havel, de eerste president van Tsjechië. Hij rent achter de bar en grijpt naar het mooie meisje. Maar die wil niet. Even is er discussie en Mary wijst op het dikke meisje, maar ook deze wordt weggeduwd. Havel rent dan naar buiten en het meisje met het vermoeide gezicht wordt er achteraan gestuurd. Even later is ze met hem terug. Ze gaan aan de bar zitten. Hij krijgt nog wat te drinken en zij duwt haar borsten in zijn gezicht. Als hij ermee begint te spelen steekt ze een sigaret op, kijkt even trots in het rond en waarna de moeheid weer op haar gezicht verschijnt. Terwijl zijn handen over haar lichaam glijden rookt ze rustig haar sigaret op en troont hem daarna mee naar achteren.

Even later stuift Frank weer de bar binnen. Hij wil bestellen. Zijn ogen zijn rood, en ik weet wat hij met mijn geld gedaan heeft. Hij zit onder de dope.
‘Er is geen geld meer,’ zeg ik. Ik heb nog net genoeg geld voor een taxi.
Frank wordt boos. ‘Vertrouw je me niet,’ schreeuwt hij. Ik sus hem.
‘We moeten langs je appartement,’ zeg ik. ‘En daarna moet ik naar mijn hotel.’
Hij heeft geen zin om te gaan, maar ik manoeuvreer hem weer in een taxi. We gaan naar zijn appartement.
‘Daarboven woon ik,’ roept hij op een bepaald moment, en laat de taxi stoppen. Hij verdwijnt in de duisternis. Tien minuten later verschijnt hij weer.
‘Ik moet geld hebben,’ roept hij.
‘Waarom,’ vraag ik.
‘Die trut laat me er niet in.’ Hij is volledig opgefokt. De taxichauffeur zegt wat verkeerd en hij trekt de man zowat door het raampje naar buiten. Ik zie de blik in zijn ogen en geef hem mijn laatste geld. Een tientje ongeveer. Frank loopt geagiteerd rond en ik stap weer snel in de taxi.
‘Rijden,’ zeg ik.
‘Eerst geld,’ zegt de chauffeur.
Ik wijs naar Frank. ‘Hij heeft het geld, ga maar vragen.’
De chauffeur kijkt me verward aan.
‘Op mijn hotelkamer heb ik geld,’ zeg ik. En als Frank weer onze richting uit hobbelt wacht de chauffeur geen moment. Hij start zijn motor en geeft vol gas. We horen Frank achter ons schelden en tieren.
Onderweg zijn de chauffeur en ik constant in debat over geld. Hij wil 5000 CFA en ik wil niet meer betalen dan 3000 CFA.
Bij mijn hotel haal ik geld, ik heb alleen briefjes van 5000.
Als ik terugkom is de chauffeur zichtbaar opgelucht.
‘Vijftienhonderd terug,’ zeg ik en toon hem het biljet.
‘Geef maar,’ zegt hij.
‘Gelijk oversteken,’ zeg ik.
Hij probeert het nog een keer, maar het helpt om een wantrouwige en zuinige Hollander te zijn. Luid mopperend haalt hij de twee biljetten te voorschijn en we steken gelijk over. Daarna vraagt hij of ik de volgende dag nog een taxi nodig heb. Ik vertel hem dat ik vertrek, naar Sassandra, met de bus.

Sassandra is een prachtig plaatsje aan de kust. Het ligt aan de monding van de rivier met dezelfde naam. Ik heb een paar rustige, ontspannen dagen op het strand Le Bivouac, Chez Ralph. Het ligt tussen twee heuvels, op een paar kilometer afstand van Sassandra, aan het strand. Wat rieten hutjes, twee primitieve huisjes en het gebouwtje waar vanuit hij zijn imperium bestuurt. Bar, annex restaurant, annex opslagplaats, annex bureau, annex slaapplaats. Er is geen elektriciteit en geen stromend water. Maar Ralph heeft een aantal mensen in dienst die ervoor zorgen dat er bier is, en ijs om het bier koud te houden. Dat er water is bij het bushtoilet, een gat in de grond, en bij de bushdouche, een paar stenen en een grote beker om het water over je uit te gieten.
Iedere avond, tijdens het eten, vertelt Ralph de nieuwste roddels uit het stadje. De twee jonge mannen en de jonge vrouw die voor hem werken kijken dan zeer ernstig. Zij hebben de verhalen in Sassandra gehoord en zijn overtuigd van de waarheid ervan.
Chez Ralph, aan het strand
De eerste avond is er het verhaal van de afgehakte mannelijke geslachtsdelen.
Al weken worden ‘s nachts overal in de Ivoorkust dode mannen gevonden in het oerwoud of in de rivieren. En bij alle lijken is hetzelfde gebeurt. Penis en ballen zijn afgesneden.
En nu is men erachter waarom. Er blijkt een bende bezig. Want aan de grens met Ghana is een vrouw aangehouden en de douanebeambte vond haar koelbox met rijst verdacht. Hij zocht met zijn hand in de rijst en vond onderin, tussen het ijs, verschillende complete geslachtsdelen. De vrouw heeft bekend dat ze voor liefdesdranken gebruikt zouden gaan worden.
De tweede avond is er het verhaal dat een paar plaatsen verderop een hoofdman is overleden. En dat het nu oppassen is ‘s avonds alleen over straat te gaan. Een hoofdman kan natuurlijk niet in zijn eentje in het dodenrijk aankomen, hij heeft begeleiders nodig. En de hoofden van zijn begeleiders moeten tegelijkertijd met hem begraven worden. En wie weet niet dat na de dood van de grote president Houphouët honderden mannen verdwenen zijn. Natuurlijk doet de politie in zulke gevallen niets, behalve de zaak in de doofpot stoppen.
Ik heb veel plezier over deze roddels, maar Ralph zegt dat hij niet meer ‘s avonds in het donker het oerwoud ingaat.
Twee dagen erna zijn Ralph en ik in de stad. Ik wil nog een keertje proberen Nederland te bellen en Ralph heeft een vrije middag. Samen delen we de taxi.
Het bellen lukt niet en even later hangen Ralph en ik aan de bar bij hotel Grau. Een Frans provinciekroegje in Afrika. Maar als Ralph de smaak te pakken heeft wil hij verder, dus we gaan op kroegentocht.
In het centrum van het dorp is een oproer. Honderden mensen rennen heen en weer. Plotseling wordt de chaos duidelijk. Er is een mensenjacht aan de gang.
‘Wat is er aan de hand,’ vraag ik Ralph in het Duits. Hij praat al een tijdje in rap Frans met de eigenaar van de maquis waar we wat eten en drinken. Te rap om door mij gevolgd te kunnen worden.
‘Tovenaars,’ zegt hij. ‘Er zijn Nigeriaanse tovenaars in de stad.’
Ik grinnik.
‘Ja, echt,’ zegt hij.
Een man is gevangen genomen en wordt door de massa weggesleurd in de richting van het politiebureau.
‘De tovenaar,’ zegt Ralph. ‘Raakt een man aan en dan verschrompelt zijn geslacht. De penis en de ballen worden minuscuul klein.’
Ik lach even. Maar dan kijk ik weer naar de menigte op straat. En mijn lach bevriest. Want de waanzin regeert. Ajax Feyenoord, zonder bal natuurlijk. En zonder scheids, want die is verschrompeld.
Inmiddels zijn ook de twee andere Nigeriaanse tovenaars gepakt.
‘Ze worden gelukkig ook naar de politie gebracht,’ zegt de eigenaar van de maquis.
‘Maar waarom doet die tovenaar dat dan,’ vraag ik.
‘Heel simpel,’ zegt Ralph. ‘Je kan bij de tovenaar een anti inkrimpingsmiddel kopen voor ongeveer honderd gulden en als je dat opdrinkt, wordt alles weer normaal.’
‘Niemand gelooft dat toch,’ vraag ik de eigenaar van de maquis.
‘Het gebeurt echt, het verschrompelt, het verdwijnt.’ Ik wil lachen maar ik zie dat de man het echt gelooft.
‘De tovenaar maakte maar één fout,’ vervolgt Ralph ‘Hij raakte de zoon van een stamhoofd aan. En dat stamhoofd pikt het niet. Ze mogen blij zijn dat ze bij de politie afgeleverd worden.’
Even later, we zijn weer een bar verder, horen we de rest van het verhaal.
Bij de aangifte van de misdaad moest natuurlijk aangetoond worden dat de geslachtsdelen verdwenen waren en een van de mannen liet daadwerkelijk zijn broek zakken.
‘Maar je hebt alles nog,’ riep de politie-inspecteur.
‘Ja, maar wel een stuk kleiner dan normaal.’
De Nigerianen worden voor alle zekerheid nog een tijdje vastgehouden.

Twee gezichten. Het moderne gezicht. Wolkenkrabbers in Abidjan, auto’s, televisie, kapitalisme. Het oorspronkelijke gezicht. De uitgebreide familie, traditionele geloven en het je geen zorgen maken voor morgen.

Sassandra

Kouri, Mali, 2 – 3 maart 1997
Bobo-Dialasso, Burkina Fasso 3 – 6 maart 1997
de trein, 6 – 7 maart 1997
Abidjan, Côte d’Ivoire,  7 – 9 maart 1997
Sassandra, Côte d’Ivoire, 9 – 14 maart 1997

Tips
Twee tips in Sassandra. De Ivoorkust liet zich daar van zijn beste kant zien.

Aan het strand, op Plage le Bivouac, bevindt zich Chez Ralph. Met een vriendin, een paar personeelsleden, honden, katten en kippen heeft de Duitser Ralph een primitief maar leuk hotelletje. Geen elektriciteit, geen stromend water, geen telefoon. Wat primitieve hutten, wat betere huisjes. Er is plek voor je tent of auto.
Maar het bier is er koud en ‘s middags meldt zich de krokodil, als hij voedsel ontwaart.


de krokodil chez Ralph

In het oerwoud, op wat eilandjes in de Sassandra heeft de Italiaan Luca zijn droom tot leven gebracht, Parc Privé de Gaoulou. Op één van de eilandjes heeft hij zijn hotelletje. Net zo primitief als dat van Ralph. Alleen het eten is bij Luca beter. Tot en met echte espresso na. . Luca probeert enige jong chimpansees langzaam te laten wennen aan het oerwoud. Voor de rest zijn er veel apen. Luca leidt je graag rond en er zijn tochten op de rivier mogelijk. Onder andere naar nijlpaarden.


het oerwoud bij Luca

Oud

Djenné, Mali, 24 februari 1997 – 2 maart 1997

Sommige mensen veranderen niet zoveel in twintig jaar, dus toen ik de National Geographic uit negentien tachtig of daaromtrent in mijn handen gedrukt kreeg, stond Karol er duidelijk herkenbaar in. Geen grijze haren toen natuurlijk. Maar hetzelfde slanke gespierde lijf. Dezelfde lach rond zijn mond.
In zijn normale leven verkoopt Karol gouden munten aan rijke toeristen. In Colorado, de Verenigde Staten. Met een pistool in zijn la voor die klanten die niet willen betalen. Alhoewel ik denk dat hij te slim is om zijn leven te wagen voor een verzekeringsmaatschappij.
Maar al een paar keer maakt Karol deel uit van een groep archeologen in Mali, Afrika. Graven in de resten van een stad waarvan men dacht dat hij niet kon bestaan.
De traditionele theorie van de archeologen was dat er ten zuiden van de Sahara, voor de komst van de Arabieren, niet interessants was gebeurd. En met interessant bedoelen ze natuurlijk steden, of iets anders waar je naar kan graven. Totdat een Amerikaanse archeoloog, in de buurt van Djenné, over de potscherven struikelde. Natuurlijk was het ingewikkelder dan dat, maar daarvoor moet je dat oude nummer van de National Geographic maar lezen.
Voor de derde keer graaft Karol in de resten van Jenne-Jeno, oud Djenné. En op een ochtend zoek ik ‘m op.
Met een vijftal lokale arbeiders is hij bezig in een gat, in de brandende zon. Als hij mij ziet geeft hij nog snel wat instructies en komt dan naar boven.
‘Wat doen je hier,’ vraag ik.
‘Dit was een put,’ zegt hij, en veegt met een rode zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. ‘We hebben het puin wat er in zat eruit gehaald en daarna zagen we in de wand van de put de rest van een kleimuur.’
Hij wijst naar de bodem van het gat, inmiddels beduidend groter dan de oorspronkelijke put. Ik zie dat een stuk klei niet is weg geschept.


graven

‘Dat is de muur,’ vraag ik.
‘Dat was de muur,’ zegt hij. ‘Je herkent het aan de andere kleur en de andere structuur.’
Het enige wat ik herken is de cirkelvormige uitsparing van de put.
‘We graven net zo lang totdat we bij de fundamenten van die muur zijn.’
‘En zo’n muur is interessant.’ Ik probeer het ironisch te vragen, maar het lukt niet. Oude beschavingen interesseren me al van jongs af. Overal ter wereld ga ik naar ruïnes.
‘Die muur was van een huis in Jenne-Jeno, een oorspronkelijke stedelijke beschaving, ten zuiden van de Sahara, voordat de Arabieren hier waren. Nou en of dat interessant is. En het ontdekken van deze stad was een klapper die de geschiedenisboekjes heeft veranderd.’
Enthousiast begint hij te vertellen.
‘Jenne-Jeno kende vier periodes, de eerste, van 250 voor Christus tot 50 AD.’ En hij wijst in het rond.
‘En die muur, uit welke periode is die.
‘Tweede periode,’ zegt Karol. ‘50 – 350 AD. De belangrijkste periode. Jenne-Jeno bevond zich in de vroege ijzertijd. En het was toen een echt centrum. Er zijn zestig nederzettingen gevonden in een omtrek van vier kilometer.’
‘En wie betaalt dit onderzoek.’
‘Voor een gedeelte het World Monument Fund.’
Hij wijst op een van armen van de rivier de Niger, die vlak langs de opgraving loopt.
‘En we moeten snel zijn, erosie door de Niger zorgt ervoor dat ieder jaar iets verloren gaat. Iets unieks en overvangbaars.’

We lopen in het rond.
‘Dit is een pot waarin iemand begraven is.’ Ik zie een grote bruine schaal.


graf

‘Maar als dit zo interessant is, waarom gebeurt er dan zo weinig aan onderzoek.’
Karol haalt zijn schouders op. ‘Geld, natuurlijk. Mali heeft geen geld en voor de rest van de wereld is het ver weg.’
Twee weken later kijk in een geschiedenisboekje in Ghana. Een schoolboek over de geschiedenis van West-Afrika. Jenne-Jeno staat er niet in. De geschiedenis begint bij de komst van de Arabieren.

Echo’s

Bamako, Mali, 15 februari 1997 – 20 februari 1997
Mopti, Mali, 20 februari 1997 – 21 februari 1997
Pays Dogon, Mali, 21 februari 1997 – 24 februari 1997

‘Waar ga je naar toe,’ vraagt de Amerikaanse vrouw op het terras van mijn hotel in Mopti.
Een grote, slanke vrouw van in de veertig. Ze draagt een t-shirt en shorts, maat tent, van onder haar borsten tot op haar knieën.
‘Djenné,’ zeg ik.
‘Djenné viel tegen. Ik had er meer van verwacht.’ Ze tikt veelbetekenend op haar reisgids, dezelfde als de mijne.
Later blijkt Djenné een van de plezierigste en interessantste plekken te zijn van mijn reis. Een plek voor antwoorden.

Mopti is het centrum van het toerisme in Mali. En rond omheen zijn drie van de meest bezochte plekken in West-Afrika. Timboektoe in het noorden, het land van de Dogon in het oosten en Djenné in het westen. Ook Mopti zelf is interessant, een havenstand aan de Niger. Of liever, een havenstand in de binnenlandse Niger delta, want Mopti ligt aan de Bani Rivier.
Maar Mopti is voor mij de verkeerde plaats op de verkeerde tijd. Ik leid al enige dagen aan reismoeheid, mid-reis crisis. Eigenlijk wil ik gewoon ergens aan het strand liggen, maar ik bevind me dagreizen van de zee. Ik heb even geen zin in het gidsengebroed met hun trekken en duwen, sissen en roepen. Geen geduld voor de Banque de Developpement Mali, die anderhalf uur doet over het wisselen van travellers cheques en daarvoor ook nog commissie eist die buiten proporties is. En zeker geen trek in bush taxi’s die niet daar heen gaan waarheen men zegt dat ze gaan.
Op de gare routière van Mopti is alles positief. ‘O, zeker, we gaan meteen door van Bandagiara naar Sangha. We moeten er vanavond mensen op halen.’ Maar in Bandagiara is het verhaal anders. ‘Misschien morgen.’ En ze lachen schaapachtig om de pissige opmerkingen van de reizigers.
Een Amerikaanse Peace Corps vrijwilliger vertelt me later dat er hier sprake is van een dubbele moraal. Blanke toeristen mag je van alles op hun mouw spelden. Maar in hun eigen taal is dat anders.

En zo maak ik mijn tocht door het land van de Dogon vanuit Bandagiara. Bij aankomst staan er al gidsen te wachten en de jonge man die zich aan mij voorstelt spreekt goed Engels. Hij heet Kaou, is zesentwintig, een lange slanke man, met een smal gezicht en grote ogen. Hij is voorkomend en ik huur hem in voor drie dagen.
Zeventig kilometer ten zuidwesten van Mopti en twintig kilometer van Bandagiara heeft de natuur een van haar woeste spelletjes gespeeld. Een bergrug. Eerst gaat het golvend vanuit Bandagiara omhoog. Daarna in rechte kliffen omlaag. Honderden meters. Het landschap lijkt onherbergzaam, Maar toch wonen hier al eeuwenlang mensen. Eerst het pygmeeënvolk de Tellem, in kleine woningen midden op de rotswand. Volgens onze begrippen onbereikbaar. Daarna, en nu al enige eeuwen, de Dogon. Ondanks de droogte en de woestheid van de natuur weten de Dogon hier landbouw en veeteelt te bedrijven en proberen ondertussen alle aanvallen op hun cultuur te weerstaan.
‘Maar,’ zeg ik tegen mijn gids. ‘Er zijn islamitische en christelijke Dogon.’
‘Ja,’ antwoord hij met een beminnelijke glimlach. ‘Maar we zijn allemaal animistisch.’
Het gebied is slecht ten dele te bereiken met terreinauto’s. Er zal veel gelopen moeten worden.
de gids
Met de mobylettes, bromfietsen, scheuren we vanuit Bandagiara over de heuvels. Omlaag gaat snel, maar omhoog is moeilijker. De machientjes zijn oud, versleten, en naar boven moeten we bijtrappen. Gelukkig heb ik het merendeel van mijn spullen in Bandagiara kunnen opslaan, maar het blijft zwaar, bij meer dan dertig graden Celsius, en in de zon. Toch is de weg tussen Bandagiara en Dourou goed. Stukken beton, of anders steenslag met op wat plekken mul zand. We moeten alleen oppassen voor de enkele vrachtwagen, ze gaan niet opzij en dat betekent voor ons de berm, als die er is. Het land is droog en er zijn veel rotsen. En overal werken mensen.


Adrie in Pays Dogon

Nadat we de bromfietsen gestald hebben in Dourou neem ik mijn bepakking op de rug. Ik heb maar een paar dingen bij me voor de trip van drie dagen. Een handdoek, wat spullen om me te wassen. Fototoestel. En mineraalwater, om mijn westerse darmen te ontzien.
Het rotsgebied wordt woest, smalle diepe kloven, waarin op iedere vierkante meter landbouw wordt bedreven. De paden zijn oud, in de rotsen zijn sporen gesleten. Er zijn flinke hoogteverschillen. Grote en kleine keien zijn nauwkeurig gestapeld om treden te vormen. En als het te steil wordt zijn er uit boomstammen gemaakte houten trappen. De mens heeft deze woestenij aan zich onderworpen.


Gids in dorp Dogon

Kaou, de gids, loopt in een hoog tempo. We zijn laat in de middag vertrokken omdat hij eerst nog naar een inwijdingsfeest wilde van de zoon van een vriend. En ook mij kwam dat wel goed uit. Even een paar uur rust om wat te lezen. Maar voor het donker moeten we in Bagnimato zijn.
Ik kijk mijn ogen uit in dit landschap. In de eeuwen dat de Dogon hier wonen hebben ze technieken ontwikkelt om overal landbouw te bedrijven en zelfs nu, diep in het droge seizoen zijn er nog vele stukken groen dankzij de irrigatie.
‘Niemand kan hier leven,’ zegt Kaou trots. ‘Niemand wil hier leven, behalve de Dogon.’
En ik geloof hem.


Uitzicht vanaf klif

Bagnimato ligt aan de rand van een enorm kloof waar rotspilaren honderden meters omhoog rijzen. Het doet me denken aan het zuidwesten van de Verenigde Staten. Indianengebied. Alleen, de indianen zijn hier zwart.


Dogon slager

De bruine kip heeft er duidelijk geen trek in. Nadat mijn gids en ik zijn aangekomen in het dorpje Bagnimato weet de beheerder van het doorgangshuis dat er voor twee mensen extra gekookt moet worden. Extra kip dus. Dit exemplaar heeft haar doodsklok horen luiden en is het strooien dak op gevlucht. De beheerder kijkt en grijpt met zijn hand door het stro naar de vogel. Ze is hem te vlug af en rent nog hoger het dak op. Haar protesten gillen door het dal. Twee jonge knullen jagen het bruine monster naar beneden en haar vluchtplaats wordt haar val. Weer grijpt de beheerder door het stro en heeft nu een poot te pakken.
‘Deze kip is het haasje,’ denk ik als de vogel dwars door het dak naar beneden wordt getrokken. Met een oud mes in de ene en de poten van de kip in de andere hand verdwijnt de beheerder naar achteren. Even later verstommen de protesten van het beest.
Een uurtje later eten we. Zoete aardappelen. Wortelen. Een heerlijke salade. Een sappige kip, weer bruin in haar jus. Het smaakt me goed.
Het is inmiddels donker, maar de volle maan geeft veel licht. De lucht is nevelig. De harmattan blaast nog steeds Sahara zand deze richting uit, waardoor de sterrenhemel nauwelijks te zien is. Bij het licht van een olielamp praten we tot tegen middernacht. Twee Nieuw-Zeelanders, een Nederlander en de twee gidsen. Drie werelden. Of twee. Het is maar hoe je het bekijkt.


Markt Dogon

De nacht breng ik door in een kamer in het doorgangshuis. Er staat een rieten bed zonder matras. Ik spreid er mijn laken op uit en slaap snel in, het geheel is verbazingwekkend comfortabel. Midden in de nacht word ik wakker. Ik hoor allerlei geluiden onder mijn bed. Ik pak mijn lantaarn en zie iets weg flitsen. Die nacht zal ik er nog een paar keer wakker van worden. En ik haal me allerlei dingen in de kop. Tenslotte is dit Afrika, het land van de enge beesten. Maar als het licht wordt zie ik in de wand een muizengat.
De volgende ochtend poets ik mijn tanden met mineraalwater. Daarna doe ik gehurkt, Afrikaans, mijn behoefte boven een diep stinkend gat in de rotsen.
Na het ontbijt, koffie, toast en smeerkaas, gaan we snel verder, mijn gids en ik. We komen aan de rand van het rotsgebied. Boven op een klif van enige honderden meters kijken we uit over een woestijnachtig landschap.
‘Dit loopt door tot aan Burkina Faso,’ wijst Kaou. Beneden me, klein, zie ik weer de typische landbouw van de Dogon. Ze weten een stukje van deze woestijn vruchtbaar te maken.
Even later dalen we af door een kloof. Weer zijn er trappen gemaakt van stenen en keien. Ondanks de steile afdaling is het nergens echt moeilijk.


de klif bij Nombori

Aan het eind van de middag komen we aan in Nombori. Het ligt aan de voet van een kaarsrechte klif van minstens vijfhonderd meter. In de rotsen zijn de oeroude woningen van de voorgangers van de Dogon, de Tellem, goed te zien. Aan de andere kant is er de Sahel op zijn droogst. Op het eerste stuk wordt landbouw bedreven, maar daarachter is alleen maar zand, onderbroken door een enkele kromme boom.
In Nombori hoor je alles twee keer. Iedere roep of schreeuw komt terug van de rotsen. Het is een van de mooiste plekken ter wereld. Er zijn geen hotels en ik slaap op het dak van een doorgangshuis. Ik ben blij dat ik er ben.
De sfeer tussen mijn gids en mij is vertroebeld. Hij wilde de tocht wijzigen zodat hij drie Marokkanen op strandslippers mee kon nemen. Ze stonden naast hun terreinwagen nadat we voor de lunch de klif waren opgeklauterd. Gezette zakenlui op onderzoek. Ik vond dat hij moest kiezen. Wij hadden tenslotte een route afgesproken en ik wilde niet hetzelfde stuk nog een keer lopen.
‘Je kost mij een hoop geld,’ verwijt hij mij later.

Het eten in Nombori is niet zo goed als de avond ervoor en mijn gids besluit een stukje verderop te blijven kaarten. De hele avond lees ik bij een olielamp op het dak en kijk hoe langzaam het dorp in slaap valt. Een enkeling heeft een zakradiootje en probeert er het nieuws mee te ontvangen. Her en der zijn olielampen zichtbaar. Op verschillende plaatsen wordt op drums gespeeld, altijd natuurlijk in duet met de wand. Tegen negenen bestel ik vanaf mijn dak een bier. Van de andere, bij het eten, weet ik dat het even kan duren. Maar ik heb hier alle tijd. Het is gelukkig een grote fles en ik kan er tot tegen twaalven mee doen. Ik ben dan de laatste, zo schijnt het, die nog wakker is. Voor de rest is het dorp donker.
Vroeg, halfzeven, het is net licht aan het worden, word ik wakker van een kakofonie van geluiden. Kraaiende hanen, balkende ezels, de eerste vrouwen die al zijn begonnen met het stampen van voedsel. Geiten, blèrende schapen, roepende kinderen. Alle geluiden verdubbeld door de echo’s van de klif. Het is vredig en ik val weer in slaap.
Tegen achten zit ik aan de koffie met brood. Ik heb weer mijn tanden gepoetst en met mineraalwater gespoeld. Mijn behoefte stel ik uit tot onderweg. Lijkt me aangenamer.
We vertrekken snel. De sfeer is beter en we praten over de mogelijkheid van een bedrijf.
‘Er is in dit gebied beslist ruimte voor nog een hotel,’ zeg ik. ‘En zeker in Nombori. En jij bent in de juiste positie om zoiets te beginnen.’
Kaou knikt. ‘Ik zoek een Europese partner met geld.’
‘Kan je niet sparen?’ vraag ik. Van de tarieven die de gidsen vragen moet goed te sparen zijn.
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik heb wel wat geld maar het meeste gaat naar mijn familie. De kinderen van mijn zus, mijn ouders.’
‘Trouwens,’ zegt hij even later. ‘Ik wil eerst een auto en een pinasse, een boot op de Niger.’


zicht op Djenné

Twee dagen later ben ik in Djenné, ik heb besloten Timboektoe ver weg te laten.
Op het terras van mijn hotel ontmoet ik Amerikaanse Peace Corps vrijwilligers, archeologen, en andere zwervers en wereldverbeteraars. Natuurlijk gaat de discussie over hetzelfde. De economische ontwikkeling in zwart Afrika.
Ik hoor echo’s uit mijn tijd dat ik voor derde wereld groepen actief was, ik denk aan mijn marxistische tijd. Ik hoor de verhalen van Sainey in Gambia, van Willem in Guinea. Van al die anderen onderweg.


Moskee van Djenné

De tafel staat vol bier. Volle en lege flessen. Van die grote. En ik zie hoe simpel het probleem is. En hoe ingewikkeld.
Langzamerhand verdwijnt in Djenné ook mijn reisvermoeidheid. Ik loop door het stadje, bezoek de ruïnes en praat met de archeologen daar. De Peace Corps vrijwilligers nemen me mee naar locale feesten en we eten gezamenlijk bonen op straat.
Een avond later ga ik met Chris eten. Een jonge Amerikaan, die zich wonderbaarlijk thuis voelt in deze primitieve wereld. We zitten ergens op straat op een bankje. Bij een van de vrouwen, die voedsel verkopen haalt hij een grote hoeveelheid schapenvlees. Het is vijftig procent bot en vijftig procent vlees. Pittig en lekker. Een zestal jonge jongens komt om ons heen staan.
Chris praat met ze. Hij kent ze goed, hij is al een tijd in Djenné.


kind in Djenné

‘Het zijn zwerfkinderen, ze worden door iemand van de moskee opgevoed. Hun eten scharrelen ze bij elkaar op straat.’
Daarna eet ik mijn vlees nog maar voor de helft en geef de rest weg. De gezichtjes glimmen van het vet. De paar botten die afgekloven overblijven zijn voor de honden. Er blijft niets over.
‘Bon,’ vraag ik aan de kinderen.
‘Heel lekker,’ antwoorden ze en ze kijken met grote ogen naar de laatste botten in het krantenpapier.
Dit is Afrika. Ze krijgen de restjes van de wereld. Ze verwachten al niks anders. Werken in Europa. Geld uit Europa.
Michel Klein, een Belgische Zwitser, zei tegen me in Guinea: ‘Ik probeer ze duidelijk te maken dat ze wel hun eigen geld mogen weggeven aan hun familie, maar niet het geld van het bedrijf.’
Kimberley van het Peace Corps praat over eenvoudige spaar- en leenbanken, zoals ze in Bangladesh zijn ontstaan. Voor hele kleine bedrijfjes.
Voor al die kleine bedrijfjes die niet groter worden omdat er geen geld voor is. Want alles gaat op, er blijft niets over.