Januskop

Abidjan, Côte d’Ivoire, 14 – 18 maart 1997.

Ik zit nu in Abidjan, in het Novotel. Na een week Côte d’Ivoire ben ik gevlucht naar een van de duurdere hotels van de hoofdstad. Ik ben aan de diarree. Ik heb een honderdtal bulten van beten door verschillende insecten. Muggen, tse-tse vliegen, spinnen, vlooien, allemaal hebben ze me te grazen genomen.
De enige tientallen muggenbeten zijn niet zo erg, na een paar uur zijn ze weg. Ik slik trouw iedere zondag larium, tegen malaria. Daarover hoef ik me dus niet ongerust over te maken. En de bijwerkingen van larium zijn bij mij beperkt gebleven tot wilde dromen in de eerste week. Ik mis ze nog steeds.
De zes beten van de tse-tse vlieg jeuken niet. Deze vlieg is groot, snel en zwart. Een beet heb ik zien gebeuren. Vanuit het niets was het beest daar, op mijn arm. Het leek te materialiseren als een ruimtevaartuig in een science fiction film. En nog voordat ik tijd had om te reageren, was het al weer weg.
‘Jezus,’ riep ik.
Ralph, de eigenaar van plek waar ik me bevond had het ook gezien.


Strand by Chez Ralph

‘Tse-tse vlieg,’ zei hij. ‘Een van de snelste dieren op de wereld, tweehonderd twintig kilometer per uur.’
Vier stuks zijn spinnenbeten. Grote rode vlekken met een hard wit centrum, op mijn benen. Dit is de tweede keer deze reis dat ik door spinnen gebeten ben. Het jeukt als een bezetene en zal minstens vier dagen het lopen onaangenaam maken.
Op mijn rug zit een wit plakkaat van onbekende oorsprong. En op mijn rechterschouder een veertigtal bultjes waarvan ik vermoed dat het vlooienbulten zijn. Een paar heb ik niet thuis kunnen brengen.
Vanuit mijn hotelraam kijk ik uit over een van de lagunes, waar rond omheen Abidjan is gebouwd. In de wijk Treichville, aan de overkant, woedt een enorme brand.
Ik probeer al een week Nederland te bellen, maar het blijkt niet mogelijk. De hele week vertelde de inlichtingen van de locale PTT dat de kabels voor Nederland kapot waren, vanaf gisteren kan er weer spaarzaam gebeld worden, maar de verbinding is erg slecht. De technicus van het hotel heeft de boel zo omgebouwd dat ik wel kan bellen met mijn portable maar niet meer met de telefoon. Maar alles zonder resultaat. Nederland blijft onbereikbaar.
Mijn paspoort ligt voor een visum bij de ambassade van Ghana, ik wil weg. Ik wil weg uit Côte d’Ivoire. Misschien het meest moderne land van West-Afrika, maar ik heb genoeg gezien.


Afrikaans vogeltje

Een week eerder vertrek ik naar Côte d’Ivoire, vanuit Bobo-Dioulasso, de tweede stad van Burkina Faso. De treinreis begint goed, slechts twintig minuten vertraging. De eerste klas is van abominabele kwaliteit, het leer van de stoelen is gescheurd, de rugleuningen kunnen niet achterover, het is niet schoon. Maar gelukkig is het niet al te druk. Ik kan zitten, en in de restauratie, een rijtuig verderop, zit een man met twee grote koelboxen. Er is koude frisdrank en bier. Hij kan koffie maken, en heeft belegd stokbrood. Al met al te goed voor Afrika dus slaat het noodlot toe. Na twee uur rijden gaat de trein langzamer rijden. En dan stapvoets.
Een conducteur komt langs, een dikke kale man in uniform, hij knipt drie gaatjes in mijn kaartje.
‘Waarom rijden we ze langzaam,’ vraag ik.
Hij kijkt uit het raam, doet eerst net alsof er niks aan de hand is.
‘In dit tempo zijn we volgende week dinsdag in Abidjan,’ zeg ik.
Hij lacht vrolijk en schudt dan zijn hoofd. ‘We zijn morgen in Abidjan.’
‘Maar wat is er dan aan de hand.’
Hij gaat op de bank tegenover me zitten.
‘De locomotief is stuk, raakt oververhit. Op het volgende station bellen we op, voor een andere.’
‘Dat gaat dat lang duren?’
Hij haalt zijn schouders op, hijst zich overeind en gaat weer verder met zijn werk.
Het duurt nog twee uur voor we op het volgende station zijn en we wachten daar drie uur. De bar naast het stationnetje beleeft gouden tijden.
De dikke conducteur komt er op een bepaald moment naast me zitten en drinkt een cola.
‘Morgen om twee uur zijn we in Abidjan,’ zegt hij vrolijk.
Hij heeft bijna gelijk, we zijn er om vier uur ‘s middags, in plaats van om halfnegen ‘s ochtends, bijna acht uur vertraging.
Op het station zwaai ik naar hem en steek mijn duim omhoog.

Côte d’Ivoire, en zeker Abidjan, is het andere Afrika. Vergeleken met de meeste West- Afrikaanse landen is de Ivoorkust rijk. De oude president, Houphouët-Boigny deed niet alleen in idiote projecten, hij liet ook een voor Afrika economisch redelijk ontwikkeld land achter. In dit land is er overal elektriciteit. De wegen zijn goed. In Abidjan zijn zakenwijken die op Europa lijken, met hoge kantoorgebouwen en taxi’s met digitale meters. Er is straatverlichting en hier en daar zelfs gesloten riolering. Ivoorkust is de derde koffieproducent en de eerste cacaoproducent ter wereld.

In Abidjan is er deze week een cultureel openlucht festival. In een groot park in het centrum zijn kramen en stalletjes. Alles nieuw en in vrolijke kleuren. Er is geen entree, maar bij de ingang wordt door een veiligheidsdienst vele jongeren de toegang geweigerd. Ik kan geen reden ervoor zien, maar ik vermoed dat het iets met koopkracht te maken heeft. En als je als blanke verschijnt, moet je langs de hele rij naar voren, je mag meteen naar binnen. Ik heb dat al op veel plaatsen in Afrika meegemaakt. En ik blijf me er beschaamd bij voelen, dit voortrekken. Een aantal keren heb ik geprobeerd te weigeren, maar dan is de verwarring compleet. En het helpt niet. Je bent blank en rijk en je moet als eerste.


Zairese band

Rondom de plek waar de optredens zijn heeft men restaurantjes gebouwd. Lange tafels waar wat gedronken en in ieder geval gegeten kan worden. Eten is hier belangrijker dan drinken. Het zijn maquis restaurants. Maquis is de naam voor de locale keuken, maar wordt nu eigenlijk door ieder restaurant gebruikt. Ik eet een halve kip, met rijst. Over de kip ligt een smakelijk saus van uien en paprika’s.
Ondertussen treed een Zaïrese dans- en muziekgroep op. Ik vind ze heel erg goed, maar een gedeelte van het publiek reageert vijandig. Bijna breekt een vechtpartij uit tussen de dansgroep en een paar jongens uit het publiek.
Terwijl ik mijn kip eet, komen een paar goed geklede jongeren bij mij aan tafel zitten. Ik ben op mijn hoede, maar als ze me wat te drinken aanbieden, laat ik mijn achterdocht varen. Ten onrechte.
‘Wat is er aan de hand,’ vraag ik terwijl ik naar de Zaïrese groep wijs. Maar op dat moment worden de lastposten al door de rest van het publiek en het overmatig aanwezige veiligheidspersoneel onschadelijk gemaakt. De Abidjanen weten het ook niet.
‘Is er vanavond ook een band’ vraag ik.
‘Ja,’ knikt Eric, een grote slanke man, brede schouders, de leider van het groepje. Hij heeft heel kort haar en diepliggende donkere ogen. Hij zegt weinig en vanaf het begin voel ik me niet echt op mijn gemak bij hem. Aan het eind van de middag verzin ik een smoes om terug naar mijn hotel te gaan, Eric zegt dat hij ook die kant op moet, dus zit ik in de taxi bij hem. Tot mijn hotel betaal ik wat er op de meter staat.
Als ik ‘s avonds even ga kijken op het festival terrein, midden in de stad, is er geen live-band maar staat Eric en zijn maten al op mij te wachten.
Ik ga zitten en bestel een biertje.
Het meisje dat bedient is erg mooi en kijkt me vanuit haar ooghoeken aan. Ik ben blijkbaar niet de enige die dat opvalt. Even later fluistert Eric wat met een van zijn vrienden die even weg was.
‘Yvonne wil vanavond met je mee,’ zegt hij.
‘Yvonne,’ zeg ik, maar ik weet al waar het heen gaat.
‘Het meisje daar.’ Hij knikt met zijn hoofd.


Zairese band

Veel blanken, mannen en vrouwen, ontkomen niet aan, of zoeken zelfs een vriendje of vriendinnetje hier in Afrika. Niets is gemakkelijker.
Maar het is niet wat ik hier wil en zeker niet op deze avond, met deze mensen erbij.
Ik haal mijn schouders op.
‘Ik weet het niet.’
Ik zoek een uitweg en als Frank, een Fransman, langsloopt, ik had hem al een paar keer gezien, begin ik een praatje met hem. Hij is al behoorlijk aangeschoten.
‘Je moet oppassen voor die gasten,’ zegt hij in het Engels.
De jonge mannen verstaan het niet, maar ze zien hun opzetje mislukken.
Frank en ik praten wat over Abidjan. Hij heeft een bedrijfje hier en is de impresario voor een aantal dans- en muziekgroepen. Even later besluiten we weg te gaan.
‘Ik weet een leuke tent,’ zegt Frank. Hij is lang en heeft een net pak aan, maar doordat hij teveel opheeft zwaait hij heen en weer. Maar weggaan is niet zo gemakkelijk.


Zairese band

‘Je kan niet weggaan,’ roept Eric tegen me.
‘Waarom niet,’ vraag ik hem.
‘Je bent onze vriend,’ zegt hij. ‘En die Fransman deugt niet.’
Hij begin daarna Frank uit te schelden. Het worden een tiental enge minuten. Er vallen wat klappen tussen Eric en Frank. Ondanks zijn dronkenschap kan Frank Eric de baas, maar dan zijn er altijd nog de vrienden. In de verwarring weet ik Frank in een taxi te krijgen. We rijden snel weg.
‘Hij is van mij,’ roept Eric ons na.

De tent waar Frank me heenbrengt blijkt aan de rand van de stad. Het is een hoerenkast. Frank heeft geen geld bij zich en ik had uit voorzorg weinig meegenomen. Ik betaal. En in een opzicht blijkt Eric gelijk te krijgen. De Fransman deugt niet. Het incident heeft hem over een bepaalde grens gedreven, zijn ogen glimmen woest en hij lijkt op zoek naar ruzie. Ik besluit hem zo snel mogelijk kwijt te raken. Ik gebruik weer dezelfde tactiek als eerder op de avond. Niet tegen de stroom in maar voorzichtig uit de stroom weg zwemmen. Hopenlijk gaat het nu beter.
Frank wil geld van me lenen.
‘We rijden straks even langs mijn appartement en dan krijg je alles terug.’
Ik leen hem 5000 franc CFA, zestien gulden. ‘Ik wil wel zo naar huis, Frank,’ zeg ik.
Hij knikt en vertrekt uit de bar.
Het is een open bar, waar een viertal meisjes werken onder leiding van een oudere vrouw. Er zijn nog twee klanten. Europeanen. Scheel van dronkenschap. De eerste laat zich gemakkelijk door een meisje meetronen, maar de ander is ontevreden en lastig. Een van de meisjes is heel mager en heeft een spijkerbroek aan. Een tweede is juist heel dik en de minirok bolt alle kanten op. Numero drie heeft een goed figuur maar een ontzettend moe gezicht. Achter de bar staat de vierde. Ze is heel mooi, een pracht figuur en een vrolijk, expressief gezicht.
De eigenaresse van de tent komt bij me zitten. Ze heet Mary en spreekt goed Engels. Je kan zien dat ze haar hele leven in het vak zit.
‘Ik ben Mary,’ zegt ze.
‘Ah,’ zeg ik. ‘Holy Mary.’
Ze lacht hard, en toont de valse tanden in haar mond. Ze bestelt wat te drinken. Ik moet betalen. Zo gaat dat in een hoerenkast.
We praten wat over Afrika.
‘Wil je een meisje,’ vraagt ze, ze kijkt in de richting van het mooie meisje achter de bar. Ik volg haar blik en het meisje kijkt mij hoopvol aan. Maar ik schud mijn hoofd.
‘Ik drink alleen wat,’ zeg ik.
Mary legt haar hand op mijn arm.
‘Je moet oppassen voor die Fransman,’ zegt ze.
Ik knik. Ik weet het.
Met haar glas in de hand gaat Mary aan de bar een probleem oplossen. De Europeaan aan de bar wil niet met het magere meisje mee. Hij spreekt slecht Frans, ik houd hem voor een Duitser, alhoewel hij de snor heeft van Vaclav Havel, de eerste president van Tsjechië. Hij rent achter de bar en grijpt naar het mooie meisje. Maar die wil niet. Even is er discussie en Mary wijst op het dikke meisje, maar ook deze wordt weggeduwd. Havel rent dan naar buiten en het meisje met het vermoeide gezicht wordt er achteraan gestuurd. Even later is ze met hem terug. Ze gaan aan de bar zitten. Hij krijgt nog wat te drinken en zij duwt haar borsten in zijn gezicht. Als hij ermee begint te spelen steekt ze een sigaret op, kijkt even trots in het rond en waarna de moeheid weer op haar gezicht verschijnt. Terwijl zijn handen over haar lichaam glijden rookt ze rustig haar sigaret op en troont hem daarna mee naar achteren.

Even later stuift Frank weer de bar binnen. Hij wil bestellen. Zijn ogen zijn rood, en ik weet wat hij met mijn geld gedaan heeft. Hij zit onder de dope.
‘Er is geen geld meer,’ zeg ik. Ik heb nog net genoeg geld voor een taxi.
Frank wordt boos. ‘Vertrouw je me niet,’ schreeuwt hij. Ik sus hem.
‘We moeten langs je appartement,’ zeg ik. ‘En daarna moet ik naar mijn hotel.’
Hij heeft geen zin om te gaan, maar ik manoeuvreer hem weer in een taxi. We gaan naar zijn appartement.
‘Daarboven woon ik,’ roept hij op een bepaald moment, en laat de taxi stoppen. Hij verdwijnt in de duisternis. Tien minuten later verschijnt hij weer.
‘Ik moet geld hebben,’ roept hij.
‘Waarom,’ vraag ik.
‘Die trut laat me er niet in.’ Hij is volledig opgefokt. De taxichauffeur zegt wat verkeerd en hij trekt de man zowat door het raampje naar buiten. Ik zie de blik in zijn ogen en geef hem mijn laatste geld. Een tientje ongeveer. Frank loopt geagiteerd rond en ik stap weer snel in de taxi.
‘Rijden,’ zeg ik.
‘Eerst geld,’ zegt de chauffeur.
Ik wijs naar Frank. ‘Hij heeft het geld, ga maar vragen.’
De chauffeur kijkt me verward aan.
‘Op mijn hotelkamer heb ik geld,’ zeg ik. En als Frank weer onze richting uit hobbelt wacht de chauffeur geen moment. Hij start zijn motor en geeft vol gas. We horen Frank achter ons schelden en tieren.
Onderweg zijn de chauffeur en ik constant in debat over geld. Hij wil 5000 CFA en ik wil niet meer betalen dan 3000 CFA.
Bij mijn hotel haal ik geld, ik heb alleen briefjes van 5000.
Als ik terugkom is de chauffeur zichtbaar opgelucht.
‘Vijftienhonderd terug,’ zeg ik en toon hem het biljet.
‘Geef maar,’ zegt hij.
‘Gelijk oversteken,’ zeg ik.
Hij probeert het nog een keer, maar het helpt om een wantrouwige en zuinige Hollander te zijn. Luid mopperend haalt hij de twee biljetten te voorschijn en we steken gelijk over. Daarna vraagt hij of ik de volgende dag nog een taxi nodig heb. Ik vertel hem dat ik vertrek, naar Sassandra, met de bus.

Sassandra is een prachtig plaatsje aan de kust. Het ligt aan de monding van de rivier met dezelfde naam. Ik heb een paar rustige, ontspannen dagen op het strand Le Bivouac, Chez Ralph. Het ligt tussen twee heuvels, op een paar kilometer afstand van Sassandra, aan het strand. Wat rieten hutjes, twee primitieve huisjes en het gebouwtje waar vanuit hij zijn imperium bestuurt. Bar, annex restaurant, annex opslagplaats, annex bureau, annex slaapplaats. Er is geen elektriciteit en geen stromend water. Maar Ralph heeft een aantal mensen in dienst die ervoor zorgen dat er bier is, en ijs om het bier koud te houden. Dat er water is bij het bushtoilet, een gat in de grond, en bij de bushdouche, een paar stenen en een grote beker om het water over je uit te gieten.
Iedere avond, tijdens het eten, vertelt Ralph de nieuwste roddels uit het stadje. De twee jonge mannen en de jonge vrouw die voor hem werken kijken dan zeer ernstig. Zij hebben de verhalen in Sassandra gehoord en zijn overtuigd van de waarheid ervan.
Chez Ralph, aan het strand
De eerste avond is er het verhaal van de afgehakte mannelijke geslachtsdelen.
Al weken worden ‘s nachts overal in de Ivoorkust dode mannen gevonden in het oerwoud of in de rivieren. En bij alle lijken is hetzelfde gebeurt. Penis en ballen zijn afgesneden.
En nu is men erachter waarom. Er blijkt een bende bezig. Want aan de grens met Ghana is een vrouw aangehouden en de douanebeambte vond haar koelbox met rijst verdacht. Hij zocht met zijn hand in de rijst en vond onderin, tussen het ijs, verschillende complete geslachtsdelen. De vrouw heeft bekend dat ze voor liefdesdranken gebruikt zouden gaan worden.
De tweede avond is er het verhaal dat een paar plaatsen verderop een hoofdman is overleden. En dat het nu oppassen is ‘s avonds alleen over straat te gaan. Een hoofdman kan natuurlijk niet in zijn eentje in het dodenrijk aankomen, hij heeft begeleiders nodig. En de hoofden van zijn begeleiders moeten tegelijkertijd met hem begraven worden. En wie weet niet dat na de dood van de grote president Houphouët honderden mannen verdwenen zijn. Natuurlijk doet de politie in zulke gevallen niets, behalve de zaak in de doofpot stoppen.
Ik heb veel plezier over deze roddels, maar Ralph zegt dat hij niet meer ‘s avonds in het donker het oerwoud ingaat.
Twee dagen erna zijn Ralph en ik in de stad. Ik wil nog een keertje proberen Nederland te bellen en Ralph heeft een vrije middag. Samen delen we de taxi.
Het bellen lukt niet en even later hangen Ralph en ik aan de bar bij hotel Grau. Een Frans provinciekroegje in Afrika. Maar als Ralph de smaak te pakken heeft wil hij verder, dus we gaan op kroegentocht.
In het centrum van het dorp is een oproer. Honderden mensen rennen heen en weer. Plotseling wordt de chaos duidelijk. Er is een mensenjacht aan de gang.
‘Wat is er aan de hand,’ vraag ik Ralph in het Duits. Hij praat al een tijdje in rap Frans met de eigenaar van de maquis waar we wat eten en drinken. Te rap om door mij gevolgd te kunnen worden.
‘Tovenaars,’ zegt hij. ‘Er zijn Nigeriaanse tovenaars in de stad.’
Ik grinnik.
‘Ja, echt,’ zegt hij.
Een man is gevangen genomen en wordt door de massa weggesleurd in de richting van het politiebureau.
‘De tovenaar,’ zegt Ralph. ‘Raakt een man aan en dan verschrompelt zijn geslacht. De penis en de ballen worden minuscuul klein.’
Ik lach even. Maar dan kijk ik weer naar de menigte op straat. En mijn lach bevriest. Want de waanzin regeert. Ajax Feyenoord, zonder bal natuurlijk. En zonder scheids, want die is verschrompeld.
Inmiddels zijn ook de twee andere Nigeriaanse tovenaars gepakt.
‘Ze worden gelukkig ook naar de politie gebracht,’ zegt de eigenaar van de maquis.
‘Maar waarom doet die tovenaar dat dan,’ vraag ik.
‘Heel simpel,’ zegt Ralph. ‘Je kan bij de tovenaar een anti inkrimpingsmiddel kopen voor ongeveer honderd gulden en als je dat opdrinkt, wordt alles weer normaal.’
‘Niemand gelooft dat toch,’ vraag ik de eigenaar van de maquis.
‘Het gebeurt echt, het verschrompelt, het verdwijnt.’ Ik wil lachen maar ik zie dat de man het echt gelooft.
‘De tovenaar maakte maar één fout,’ vervolgt Ralph ‘Hij raakte de zoon van een stamhoofd aan. En dat stamhoofd pikt het niet. Ze mogen blij zijn dat ze bij de politie afgeleverd worden.’
Even later, we zijn weer een bar verder, horen we de rest van het verhaal.
Bij de aangifte van de misdaad moest natuurlijk aangetoond worden dat de geslachtsdelen verdwenen waren en een van de mannen liet daadwerkelijk zijn broek zakken.
‘Maar je hebt alles nog,’ riep de politie-inspecteur.
‘Ja, maar wel een stuk kleiner dan normaal.’
De Nigerianen worden voor alle zekerheid nog een tijdje vastgehouden.

Twee gezichten. Het moderne gezicht. Wolkenkrabbers in Abidjan, auto’s, televisie, kapitalisme. Het oorspronkelijke gezicht. De uitgebreide familie, traditionele geloven en het je geen zorgen maken voor morgen.

1 comment to Januskop

  • Gea

    Hoi Afrikaganger, stuit per ongeluk op je verslag hiet in kumasi, Ghana. Wat een goed verhaal en wat schrijf je pakkend. Dit wilde ik even kwijt. Ben met een vriend op rondreis in Gahna en Burkina en herken een hoop van wat je schrijft!
    Vriendelijke groet, GEA

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>