Oud

Djenné, Mali, 24 februari 1997 – 2 maart 1997

Sommige mensen veranderen niet zoveel in twintig jaar, dus toen ik de National Geographic uit negentien tachtig of daaromtrent in mijn handen gedrukt kreeg, stond Karol er duidelijk herkenbaar in. Geen grijze haren toen natuurlijk. Maar hetzelfde slanke gespierde lijf. Dezelfde lach rond zijn mond.
In zijn normale leven verkoopt Karol gouden munten aan rijke toeristen. In Colorado, de Verenigde Staten. Met een pistool in zijn la voor die klanten die niet willen betalen. Alhoewel ik denk dat hij te slim is om zijn leven te wagen voor een verzekeringsmaatschappij.
Maar al een paar keer maakt Karol deel uit van een groep archeologen in Mali, Afrika. Graven in de resten van een stad waarvan men dacht dat hij niet kon bestaan.
De traditionele theorie van de archeologen was dat er ten zuiden van de Sahara, voor de komst van de Arabieren, niet interessants was gebeurd. En met interessant bedoelen ze natuurlijk steden, of iets anders waar je naar kan graven. Totdat een Amerikaanse archeoloog, in de buurt van Djenné, over de potscherven struikelde. Natuurlijk was het ingewikkelder dan dat, maar daarvoor moet je dat oude nummer van de National Geographic maar lezen.
Voor de derde keer graaft Karol in de resten van Jenne-Jeno, oud Djenné. En op een ochtend zoek ik ‘m op.
Met een vijftal lokale arbeiders is hij bezig in een gat, in de brandende zon. Als hij mij ziet geeft hij nog snel wat instructies en komt dan naar boven.
‘Wat doen je hier,’ vraag ik.
‘Dit was een put,’ zegt hij, en veegt met een rode zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. ‘We hebben het puin wat er in zat eruit gehaald en daarna zagen we in de wand van de put de rest van een kleimuur.’
Hij wijst naar de bodem van het gat, inmiddels beduidend groter dan de oorspronkelijke put. Ik zie dat een stuk klei niet is weg geschept.


graven

‘Dat is de muur,’ vraag ik.
‘Dat was de muur,’ zegt hij. ‘Je herkent het aan de andere kleur en de andere structuur.’
Het enige wat ik herken is de cirkelvormige uitsparing van de put.
‘We graven net zo lang totdat we bij de fundamenten van die muur zijn.’
‘En zo’n muur is interessant.’ Ik probeer het ironisch te vragen, maar het lukt niet. Oude beschavingen interesseren me al van jongs af. Overal ter wereld ga ik naar ruïnes.
‘Die muur was van een huis in Jenne-Jeno, een oorspronkelijke stedelijke beschaving, ten zuiden van de Sahara, voordat de Arabieren hier waren. Nou en of dat interessant is. En het ontdekken van deze stad was een klapper die de geschiedenisboekjes heeft veranderd.’
Enthousiast begint hij te vertellen.
‘Jenne-Jeno kende vier periodes, de eerste, van 250 voor Christus tot 50 AD.’ En hij wijst in het rond.
‘En die muur, uit welke periode is die.
‘Tweede periode,’ zegt Karol. ‘50 – 350 AD. De belangrijkste periode. Jenne-Jeno bevond zich in de vroege ijzertijd. En het was toen een echt centrum. Er zijn zestig nederzettingen gevonden in een omtrek van vier kilometer.’
‘En wie betaalt dit onderzoek.’
‘Voor een gedeelte het World Monument Fund.’
Hij wijst op een van armen van de rivier de Niger, die vlak langs de opgraving loopt.
‘En we moeten snel zijn, erosie door de Niger zorgt ervoor dat ieder jaar iets verloren gaat. Iets unieks en overvangbaars.’

We lopen in het rond.
‘Dit is een pot waarin iemand begraven is.’ Ik zie een grote bruine schaal.


graf

‘Maar als dit zo interessant is, waarom gebeurt er dan zo weinig aan onderzoek.’
Karol haalt zijn schouders op. ‘Geld, natuurlijk. Mali heeft geen geld en voor de rest van de wereld is het ver weg.’
Twee weken later kijk in een geschiedenisboekje in Ghana. Een schoolboek over de geschiedenis van West-Afrika. Jenne-Jeno staat er niet in. De geschiedenis begint bij de komst van de Arabieren.

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>