Djarama

Dalama, Guinee, 8 februari – 14 februari 1997.

-On Djarama. Goedendag.
-On Djarama. Goedendag.
-Tana ala ton. Hoe gaat het.
-Diantoun. Alles gaat goed. (letterlijk: vrede)
-Denghouré e djawoulé. Gaat alles goed met uw familie.
-Nö Sotoudh. Gaat het goed.
-Alhamdoulilahi. Dank u wel.
(onderdelen van een begroeting in Pular)

De Toyota Landcruiser van de FAO rijdt stevig door over de onverharde weg van Dalaba, Guinea naar de dorpen waar Willem Roodenburg en zijn team een irrigatieproject opzetten.
Dalaba ligt in de Fouta Djalon, een bergachtig gebied waar in de regentijd ontzettend veel water naar beneden komt. In die tijd verbouwt de locale bevolking rijst. In de droge tijd gebeurt er weinig. Voor de FAO alle reden om aan de gang te gaan.
Willem is expert genie rural, maar bovenal een ronde Hollander die ongeschikt is voor een baantje van negen tot vijf, binnen vier muren. Ik kwam hem tegen in Hotel Tangama en na een Hollandse begroeting, een koud pilsje aan de bar, raakten we in gesprek over Afrika, computers en zijn werk.
‘We willen hier in Guinea niet meer van boven af allerlei grote technische werken neerzetten. Als we wat willen doen, moet dat voorkomen uit de bevolking zelf.’ En daarna vroeg hij mij mee voor een daagje ontwikkelingshulp.


Willem bij het stuwmeertje

Tijdens de rit is er veel te zien, de chauffeur heeft zijn favoriete band opgezet. Willem en ik praten over zijn project.
‘Neem het irrigatieproject waaraan ik werk. Dat moet door het hele dorp gedragen worden. Maar net zo belangrijk is de steun van de oude mannen die de baas zijn.’
Wat Willem verteld is voor mij heel herkenbaar. Zijn manier van werken lijkt sterk op de projectgewijze manier van werken in de informatica, mijn vak. Als hij praat over de oude mannen in het dorp die er achter moeten staan, vertaal ik dat in het topmanagement. De bevolking van een dorp, dat zijn mijn gebruikers van een computersysteem. Een veranderingsproces in Afrika werkt niet anders dan in Nederland.
Stel,’ zegt hij. ‘Je vraagt aan jongeren wat hun probleem is en hoe je dat moet oplossen. Dan zeggen ze dat er niks te doen is en dat ze een voetbalveld willen.’
Hij lacht en wijst naar de vrouwen die in het veld werken.
‘Maar het echte probleem is dat er geen werk is, geen inkomen. Dus geen toekomst. Je moet ze van die betere oplossing overtuigen.’
‘En als dat niet lukt.’
‘Als de oude mannen van het dorp zeggen dat hun armoede Gods wil is en dat je dat moet accepteren, dan heb je geen keus. Dan moet je ergens anders heen gaan, daar waar wel een wil tot verandering is.’
‘En we proberen geïntegreerde oplossingen te zoeken. Dus als de grond arm is, zoals hier, dan in principe niet met chemische fertilizers werken, maar proberen de mest van de dieren ervoor te gebruiken. En als je het vee op stal zet, is het niet alleen goedkoop, maar je lost meteen ook het probleem van de diefstallen op.’
‘Ik wil kleine constructies bouwen, met lokale materialen en technieken. Zodat ze het zelf kunnen onderhouden en repareren.’
De Toyota komt aan bij een klein stuwmeertje.
‘Niet groot,’ zeg ik.
Willem wijst terwijl hij een rode pet opzet met een mini zonnepaneeltje dat een klein ventilatortje in de klep in werking zet. Het rode hoofd wordt er niet minder vurig om.
‘Het loopt twee kilometer door. We kunnen flink wat hectaren bevloeien.’
Er loopt wat water aan de voorkant weg, de dam werkt niet honderd procent.
‘Vorig jaar onderhielden wij het nog, toen was de dam volledig waterdicht, maar nu is het hun eigen verantwoordelijkheid.’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Mijn werk is vijftig procent technisch en vijftig procent sociaal.’

werken in het veld

Aan een vrouw in het veld vraag ik wat ze ervan vindt.
‘In het begin was het moeilijk. We moesten werken zonder dat we wisten of het wat op zou leveren.’
Ze buigt voorover en wijst naar de groene tomaten aan de planten. Ze lacht. Haar gebit vol gaten. ‘Maar nu zien we de resultaten en zijn we gelukkig.’
‘Vorig jaar zijn we begonnen met verbouwen,’ zegt Willem. ‘In het eerste jaar hebben we twee hectaren, twee velden, geplant. Aardappelen en tomaten. Dit jaar 10 hectaren en volgend jaar vijfentwintig.’

We lopen het aardappelveld in, er zijn plekken waar de planten het heel erg goed doen, maar een stukje verderop zijn ze dood. Iemand had na het bevloeien de schuifjes niet dicht gedaan. En men wist nog niet dat ook teveel water niet goed kon zijn.
Er komen wat mannen aan lopen. Willem komt niet zo veel meer langs. De man die het schuifje open liet staan is er ook bij. Meer als de helft van zijn planten doen het goed en hij is tevreden. Bij de dode stukken lacht hij schaapachtig. Hij zal deze fout niet snel meer maken.
We schudden handen, On Djarama, en lopen terug naar de dam.
‘We kunnen vier van de zes droge maanden ermee overbruggen,’ zegt Willem. ‘Genoeg tijd voor een oogst terwijl ze vroeger in deze tijd alleen maar hun voorraden opaten.’
Vanuit het dammetje stroomt het water naar een hoofdkanaal, die een secundair kanaal voedt.
‘Bamboe,’ wijst Willem. ‘Vroeger werden hier PVC-buizen voor gebruikt.’
Het secundaire kanaal voedt de velden, met een hoofdkanaal en vele zijkanaaltjes, langs de planten. De vrouwen vandaag, gisteren de mannen, leiden het water met behulp van rietpollen. ‘Er zijn veel veranderingen. Irrigatie. Andere plantensoorten. Veel onbekende technieken, die ze moeten leren. Werken op het land in een periode die ze vroeger gebruikten voor onderhoud.’


tomaten

De bewoners van het bergachtige gebied Fouta Djalon in Guinea behoren tot de Peul en als zij elkaar tegenkomen begroeten zij elkaar uitgebreid in Pular, hun taal. De groet is een reeks vragen, tegenvragen en antwoorden. Soms enthousiast, soms routinematig uitgesproken. Maar als je als blanke begint met On Djarama levert dat meestal een vrolijke lach op.
In de meeste zwart Afrikaanse landen zijn nog veel traditionele gemeenschappen. Tot voor een paar generaties, voordat de Europeanen besloten Afrika onderling te verdelen, waren volk of stam, dorp en uitgebreide familie de structuren waarbinnen het leven en de economie zich afspeelden. Ondanks het wapengekletter, de rechte grenzen en de overal aanwezige flesjes Coca Cola is dat nog steeds de basis waarop veel zwarte Afrikanen leven. Als je wat wilt veranderen zal je dat als uitgangspunt moeten nemen. Als de sceptische Duitser Jost, die het allemaal eerst wel eens wilde zien, tijdens de lunch hoort dat goede technici nog steeds welkom zijn als vrijwilliger bij de FAO, aarzelt hij geen moment. Hij vraagt meteen om adressen. En ik. Ik ben eventjes een beetje minder nihilist.

Dalaba, tip
Hotel Tangama

Een goede plek om uit te rusten. Dalaba ligt in de bergen van de Fouta Djalon, op zo’n duizend meter hoogte. ‘s Nachts koelt het dan ook goed af. Je kan hier prachtige wandelingen maken. En hotel Tangama is betaalbaar en heeft een heel mooi terras. De eigenaar is, ondanks zijn sarcasme, een vriendelijke man. Alleen het eten is er (te) duur, maar dat kan ook in de stad.


Hotel Tangama

1 comment to Djarama

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>