Grenzen

Koumbia en Labé, Guinee 5 – 8 februari 1997

In de loop van de middag komt het minibusje aan in Gabú, in het oosten van Guinee Bissau. Van hieruit wil ik naar Guinea.
Het afscheidsfeestje van de avond ervoor zoemt nog een beetje na in mijn hoofd. Het Peace Corps ging terug naar Mali en de Australiërs Fiona en Andre moesten terug richting Senegal.


feestje met ter plaatse in jampotten gebrouwen bier

De reisgids schrijft dat de reis van Guinee Bissau naar Guinea moeizaam is en dat het niet gemakkelijk is om vervoer te krijgen.
Ik ben nog niet uitgestapt of een onopvallende man van achter in de veertig benadert me. Hij is al wat kaal en heeft een oud bruin pak aan. Oury Kaly Sow wil alles voor me regelen.
‘Naar Guinea Conakry,’ vraagt hij. Hij lacht vriendelijk en toont een gouden tand.
Ik knik. ‘Misschien.’ Het is beter om voorzichtig te zijn. ‘Wanneer gaat er een taxi brousse naar Labé?’
‘Morgen,’ zegt hij ‘En misschien vanavond ook een.’
We praten wat en het wordt me al snel duidelijk dat er in feite maar één mogelijkheid is, dezelfde avond nog met een aftandse terreinwagen de grens over naar Koumbia, Guinea. Daar overnachten in een hotel en de volgende dag verder naar Labé.
‘Maar ik wil eerst wat eten en drinken,’ zeg ik.
Oury neemt me op sleeptouw naar een restaurantje. Een geldwisselaar, een magere jonge man met kort haar en een heel zwarte huid, loopt mee.
Halverwege de middag is er alleen rijst en vlees, koud. En het bier is lauw, maar de trip heeft me hongerig en dorstig gemaakt, ik laat het me goed smaken.
‘Hoeveel kost de reis naar Labé,’ vraag ik Oury.
Hij begint te rekenen en komt uit op vijfentwintig duizend Guinese Francs. Een bedrag dat me niks zegt omdat ik de recente wisselkoersen niet ken. En ik moet een hoop pesos van Guinee Bissau wisselen als ik deze avond ga. Maar zowel Oury als de wisselaar zijn vriendelijk en lijken op een redelijke manier zaken te willen doen. Er komen hier in Gabú niet zoveel branco’s, blanken, en wie weet heeft het daar ook mee te maken.
Uit de reisgids haal ik de koers van twee jaar geleden en het onderhandelen begint. Ik schrijf de getallen op en als ik tussendoor de koers van de franse franc vraag klopt die er vrij nauwkeurig mee. Om te beginnen wissel ik een klein bedrag.
‘Je kan me vertrouwen,’ zegt Oury en langzamerhand kom ik erachter dat het ook zo is.

Mohammed, de chauffeur van de aftandse Russische terreinwagen, zegt dat hij nog één passagier mist om te vertrekken. Als ik de helft meer betaal dan krijg ik de rechtervoorstoel helemaal voor mijzelf. Het is vier uur in de middag, ik heb gegeten, ik wil wel weg.
‘Akkoord,’ zeg ik. Ik weet dat het een moeizame trip wordt en het kost me maar elfduizend Guinese Francs, zeventien gulden, extra.
Ik betaal en neem plaats, maar Mohammed is plotseling nergens te bekennen. Een half uur later zie ik hem.
‘Wanneer vertrekken we,’ vraag ik.
‘Een aantal passagiers is er nog niet,’ zegt hij. ‘We zouden oorspronkelijk pas om zes uur vertrekken, vandaar.’
Ik ga in de schaduw onder een boom zitten. Een jonge man wil zijn Engels op mij oefenen en spreekt over zijn droom om naar Europa te verhuizen.
‘Er is geen toekomst hier,’ zegt hij.
‘Het is moeilijk in Europa,’ vertel ik hem. En ik praat over de grote werkeloosheid, taalproblemen en dat het niet eenvoudig is om aan de goede papieren te komen.
‘Alleen daar zie ik een toekomst,’ herhaalt hij.
Het maakt me triest. Miljoenen Afrikanen dromen over Europa, ze leren talen en sparen geld. Maar een klein aantal haalt Europa, waarvan het grootste gedeelte weer verdwijnt in de illegaliteit, met zijn tienen op een klein kamertje. Verkopers van rozen ‘s nachts in de cafés. Ik vertel hem dit. Zijn gezicht licht op.
‘Geld verdienen, ja, dat wil ik.’
Europa en Afrika grenzen aan elkaar, maar de afstand is enorm. Een paar honderd gulden bij elkaar gescharreld in Europa is hier een enorm kapitaal.

Weer komt Mohammed op me af. Geagiteerd.
‘Je moet niet zo ongeduldig zijn,’ zegt hij.
‘Hoezo,’ vraag ik verbaasd, maar hij is al weer verder gelopen.
De jongen met wie ik over Europa heb gepraat, gaat op onderzoek. Het is inmiddels zes uur en we staan nog steeds stil op de garage, het stuk zand onder de bomen waar vandaan de taxi’s vertrekken.
‘De taxi vertrekt pas na zevenen, na het einde van de karen, het vasten,’ vertelt hij even later.
Voor zevenen beginnen de vrouwen voor de hutjes rond de garage het eten klaar te maken. En vlak na zevenen, na het einde van de karen, wordt er gegeten.
Om halfacht begint het wachten weer, want Mohammed is nergens te vinden. Ik ga op zoek naar hem. Tegen achten ontstaat er tumult. In het donker herken ik Mohammed en een aantal van zijn passagiers. Ik loop er op af.
‘De taxi gaat niet,’ zegt een van mijn medereizigers, een oude man met maar één goed oog. Hij is boos. Er blijken nog een heleboel meer plaatsen niet verkocht te zijn. Mohammed’s passagiers bestaan niet.
Een andere man komt op me af, hij stelt zich in het Engels voor als Lamin. Hij is chauffeur van de Landrover, die een tiental meters verderop staat. De motor loopt al en de koplampen werpen bundels licht over de verder donkere garage. Hij gaat ook naar Koumbia, ik kan met hem meerijden.
‘Ik zal alles voor je regelen,’ zegt hij.
‘Ik wil eerst mijn geld terug,’ zeg ik, plotseling weer voorzichtig. Er gebeurt dan weer van alles. Sommige van mijn oorspronkelijke medepassagiers zijn niet zo tevreden en achtervolgen Mohammed. Er blijkt een vertegenwoordiger van een staatsvakbond van taxichauffeurs te zijn, die iedereen probeert te sussen. Lamin pakt mijn rugzak van de Russische terreinwagen en plaatst het bovenop zijn Landrover.
‘Instappen,’ zegt hij tegen me en wijst op de laadbak van de Landrover waar onder het zeildoek drie bankjes staan. Er zitten al een twintigtal mensen boven op elkaar gepakt.
‘Eerst mijn geld terug,’ zeg ik koppig. ‘Ik heb extra betaald aan Mohammed.’ Er vormt zich meteen een kring om ons heen en ook de vertegenwoordiger van de vakbond komt erbij staan.
‘Je kan de vakbond vertrouwen,’ zegt hij.
Lamin knikt, hij is een jonge, vriendelijke man. ‘We regelen het morgenochtend allemaal in je hotel.’
De discussie in het Frans wordt woord voor woord vertaald in de locale taal.
‘Ja, ja,’ zeg ik. ‘En als ik wakker wordt.’
Er wordt gelachen en ik krijg wat goedkeurende tikjes op mijn schouder van omstanders. Iedereen begint zich ermee te bemoeien en na een paar minuten sleept de man van de vakbond me mee naar een hut waar wat licht is van een petroleumlamp. Met tegenzin geeft hij mij het hele bedrag terug. Aan Lamin geef ik meteen het geld voor de trip naar Koumbia. Maar het extra geld wat ik betaald heb zit nu weer in mijn eigen portemonnee. Behalve de staatsvakbondsman lijkt iedereen tevreden.
Lamin sleept me meteen mee naar zijn voertuig.

‘Instappen,’ zegt hij.
Maar in de laadbak van de Landrover is geen plaats.
‘Waar,’ vraag ik. Lamin kijkt en ziet dat daar wel een grond van waarheid in zit.
‘Je krijgt een goede plaats,’ zegt hij en zo’n tien mensen moeten uitstappen.
Hij wijst naar een jonge vrouw op de houten bank aan de rechterkant van de laadbak, tegen het zeildoek. Met tegenzin stapt ze uit. Ik klauter in de laadbak en neem haar plaats in. Ik voel me een beetje opgelaten omdat ik niet weet of deze vrouw een andere plek krijgt.
Daarna stapt iedereen weer in en er moet gepropt worden. Bij het licht van zaklantaarns vinden ze een plek. Op mijn bank is er op bilhoogte geen millimeter meer vrij en op schouderhoogte moet de een naar voren en die ernaast naar achteren zitten. De beenruimte moeten we delen met de mensen die schrijlings op het bankje in het midden zitten. Als iedereen eindelijk zit is iedere centimeter bezet. In het laadbakje zijn twintig volwassenen, een kind en drie baby’s gepropt. In de cabine zitten er ook nog vier en er hangen nog drie jonge mannen aan de achterkant. Boven de laadbak, op het dak, in het rek, torent de bagage metershoog.
Om halfnegen vertrekken we.

De Landrover hobbelt in het donker over de overharde weg. Het is pikdonker achterin. Stof en zand waaien naar binnen. Als ik over mijn rechterschouder kijk, zie ik tussen het zeildoek door in het licht van de koplampen dat we over heuvelachtig terrein rijden. Regelmatig rijdt de auto door een diepe kuil en worden we achterin door elkaar heen geschud. Het is stil in de bak, alleen mijn rechterbuurvrouw kreunt.
Even gaat er een zaklantaarn aan en ik zie haar van pijn vertrokken gezicht.
‘Ze is erg ziek,’ zegt een stem aan de andere kant en het licht gaat weer uit. Ik ben een van de mensen op mijn bank die naar voren hangt, met mijn ellebogen op mijn knieën en mijn tas op schoot. De vrouw naast me kreunt harder als we weer door een kuil gaan en ze laat haar hoofd op de achterkant van mijn schouder rusten. Soms grijpt ze met haar hand mijn arm en knijpt, het kreunen wordt dan even minder.


rivieroversteek

Na de grenspost aan de kant van Guinee Bissau rijden we al een uur in Guinea, maar daar ik heb nog geen grenspost van gezien. Is dit niemandsland, ik weet het niet. Als we weer stoppen blijkt het nog steeds geen grenspost te wezen. Wel stappen we uit. De weg loopt dood in een rivier. Ik heb geen lantaarn bij me dus loop ik voorzichtig achter een medepassagier aan en laat me door hem bijlichten. Boven me is de sterrenhemel in volle pracht te zien. Orion, de melkweg. Andere sterrenbeelden, onbekend voor mijn noordelijke ogen.
Lamin, de chauffeur, staat bij het water. Hij roept en zwaait met zijn lantaarn. Na een paar minuten krijgt hij antwoord. In de verte bewegen twee kleine lichtjes. De overkant van de rivier is niet te zien in het donker, laat staan iets op de andere oever.
Het bewegen van de lichtjes doet me aan iets denken, maar ik weet niet wat. Pas als ik een ketting hoor ratelen weet ik het weer. Dit is de voorstelling van de Dogtroep, die ik in Carré heb gezien. Maar nu in het echt, in de jungle van Guinea. Er volgen meer geluiden, zoemend en schurend. In het donker zie ik alleen het zwaaien van de twee lichtjes.
Na een paar minuten hoor ik plonzen van water en even later verschijnt de pont. Een kleine vierkante bak, voortbewogen met handkracht, een ketting die door een tandwiel loopt.

Aan de overkant klimmen we weer in de Landrover, allemaal op onze eigen plaats. De vrouw naast me lijkt opgeknapt. Ze heeft nu een van de baby’s op schoot. Ik vraag me af of het kind van haar is. Het hoeft niet want er is die Afrikaanse gewoonte dat tijdens het vervoer alle vrouwen gezamenlijk voor de kleine kinderen zorgen. De baby’s huilen niet en laten zich gelaten van schoot tot schoot verplaatsen.
Bij de eerste kuil krimpt de vrouw ineen en meteen wordt het kind van haar schoot gehaald. Haar hoofd rust weer tegen de achterkant van mijn schouders.

Een half uur later stoppen we weer.
‘De grenspost,’ zegt Lamin.
Ik ben blij want de laatste kilometers ging het niet goed met mijn buurvrouw. Haar nagels staan in mijn arm. Ik weet niet wat ik er mee aan moet. In Europa zou ik een ambulance geroepen hebben, maar die zijn hier niet. Ziekenhuizen ook niet. Moet ik haar helpen. Kan ik haar helpen. Vragen die door mijn hoofd spelen terwijl zij in mijn arm knijpt. In het niemandsland tussen Guinee Bissau en Guinea besef ik hoe gemakkelijk het is om hier te sterven.

We lopen in het donker door een dorpje. Tien hutten rond een pleintje. Bij drie ervan brandt een kaars op een tafeltje. Het kaarslicht geeft het dorpje een sprookjesachtige sfeer.
Maar achter tafeltjes met koopwaar zitten vrouwen met vermoeide gezichten. Ik kijk op mijn horloge en in het kaarslicht zie ik dat het half een is. Sommige winkels sluiten niet.
Aan het eind van het pleintje gaat de weg naar links en daar is een hutje en een slagboom. De grenspost. Voor het hutje staat een grote tafel met een olielamp. Op de grond op een matras liggen twee vrouwen en ernaast brandt een vuurtje. Achter de tafel zit een man in een uniform en een andere man wijst ons er naar toe. Uit de cassettespeler op tafel klinkt treurige Afrikaanse muziek.
Ik pak mijn paspoort en geef het aan de man in het uniform. Hij draait het wat om en bladert erin. Hij kijkt me aan, vragend.
Ik pak het paspoort weer en open het op de pagina waar mijn moeilijk verkregen visum is ingeplakt.
‘Visum,’ zeg ik en maak een stempelende beweging met mijn hand.
De andere man loopt het hutje in en rommelt wat in een la. Hij komt terug met een stempel en een stempelkussen. Na een paar keer oefenen op een blaadje papier is de man in het uniform tevreden en zet een stempel in mijn paspoort en schrijft er een datum bij. Die van gisteren. Ik krijg mijn paspoort terug.
‘Wie is dit,’ vraag ik de man en wijs op de cassettespeler.
Hij lacht.
‘Dit is Guinese blues,’ zegt hij. ‘Dimba Camara.’ Even bewegen zijn schouders mee met de muziek. ‘Hij is al een tijdje overleden.’

Als de Landrover wegrijdt is mis ik de zieke vrouw. Woont ze daar, aan de grens. Ze is de enige zover ik kan zien die niet meer meerijdt.
Een uur later rijden we Koumbia binnen. Er branden nog vuurtjes en ik eet wat brochettes, vlees aan een spies, bij een hutje. Het is tegen drieën.
‘Waar is het hotel,’ vraag ik Lamin. Die zwaait wat met zijn armen en wijst daarna naar een stuk schuimplastic dat voor het hutje op de grond ligt.
‘Je kan daar slapen.’


Koumbia Hilton

Even later lig ik er, naast Lamin en een andere passagier. Er zijn gelukkig geen muggen. Voordat ik in slaap val, vraag ik me af hoe het met de zieke vrouw gaat.

 

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>