Tropisch paradijs

Guinee-Bissau, Bissau en Bubaque, 30 januari – 5 februari 1997

De taxi schokt en stoot. Ik ben op zoek naar een hotel in Bissau. De hoofdstad van Guinee Bissau is een vervallen stad. De Portugezen lieten vijfentwintig jaar geleden een verarmd en door de oorlog verwoest land achter. Sindsdien is er een hoop verbeterd, er is elektriciteit, er is onderwijs, er zijn doktoren. Maar in de stad staan ook de skeletten van in verval geraakte gebouwen, in de haven liggen half gezonken schepen. Slechts een gedeelte van de straten is verhard. Niet dat het veel uitmaakt, door de vele gaten in het wegdek zijn ook deze amper te berijden.


Bissau, haven

Ik moet bezuinigen, maar er zijn niet echt goedkope hotels in Bissau. Ik bekijk er een aantal en besluit uiteindelijk de nacht door te brengen in Pensao Central. Het is vlak bij de haven waar ik morgen de boot naar Bubaque wil pakken.
Het hotel bevindt zich op de eerste en tweede verdieping van een oud koloniaal gebouw, boven het kantoor van een luchtvaartmaatschappij. Ik loop de buitentrap op naar de brede overdekte balustrade van de eerste verdieping. Aan de voorkant van het gebouw kan je er zitten, aan campingtafeltjes op witte kunststof stoelen. Aan de achterkant staan de deuren van de eetzaal open. Aan de twintig lange tafels binnen zit niemand maar op de balustrade staat ook zo’n tafel en er zit een kleine oude Portugese vrouw. Ze heeft een enorme tas op haar schoot en haar ogen kijken waakzaam in het rond. De bazin, het kan niet anders. Een zwarte ober komt op me af en ik vraag om een kamer. Hij wijst met zijn hoofd naar de vrouw, ik loop naar haar toe en herhaal de vraag. Ze schrijft een bedrag op. Zevenhonderdduizend pesos. Vijfendertig gulden per nacht.
Ik wil de kamer zien en de ober loopt met me mee de trap op naar de tweede verdieping. Ik ben moe en kijk niet goed rond. Ik accepteer de kamer. Later blijkt er voor de acht kamers van dit hotel slechts één badkamer te zijn en in die badkamer maar één toilet. De douche doet het niet. Maar dat weet ik allemaal niet, ik geniet op de eerste verdieping van een koud pilsje.
Om vier uur ‘s middags gaat de bank open en ik moet geld gaan halen. Het is mogelijk geld op te nemen met een creditcard en dat lijkt me een goed idee. Ik ga in de rij staan en na een kwartier word ik geholpen door een zorgvuldig opgemaakte Portugese vrouw van in de veertig. Ze heeft prachtig gekapt zwart haar. Rode lippen. De transactie vereist een enorme administratie. Er worden een aantal formulieren ingevuld, een creditcard slip wordt afgedrukt, kopieën gemaakt van mijn paspoort. Ik zet overal mijn handtekening. Ze is na vijfentwintig minuten gereed en ik kijk haar verwachtingsvol aan. Mijn miljoenen zullen nu snel komen.
‘Mañana,’ zegt ze en loopt naar de volgende klant.
Ik ben verbaasd en denk even het niet goed verstaan te hebben.
‘He,’ zeg ik. ‘Mijn geld.’
‘Morgenochtend,’ antwoordt ze kordaat. ‘Misschien,’ zeggen haar ogen.
Ik schud mijn hoofd en vertel haar dat morgenochtend mijn boot vertrekt.
‘Annuleren dan maar,’ vraagt ze. Ik knik en in twee tellen scheurt ze alle formulieren door. Maar ik heb geld nodig en pak een aantal travellers cheques en toon die haar.
‘Vandaag,’ vraag ik. Ze knikt en heel kalm begint ze weer haar formulieren in te vullen.
Tien minuten later heb ik mijn vier en een halve miljoen pesos. Vierhonderd vijftig biljetten van tienduizend. In pakketten van een miljoen. Mijn portemonnee kan enige honderdduizenden bevatten, omgerekend ongeveer vijfentwintig gulden. Het is gemakkelijk om in dit land ieder dubbeltje om te keren. Ze hebben niks anders.
De oude vrouw van Pensao Central ruikt dat ik geld bij me heb. Ik moet meteen betalen. Ik wil zelf het geld tellen maar dat mag niet. Ze roept en er verschijnt een zwart jongetje met een intelligente blik in zijn ogen. Hij grijpt een miljoen en begint te tellen. Twee keer telt hij de zeventig biljetten. Voor de moeite geef ik hem zo’n biljet. De oude vrouw schuift met een geroutineerde armbeweging de zeven ton voor het hotel, en niet eens op de Kalverstraat, in de tas op haar schoot.

‘s Nachts, op mijn kamer als het licht uit is, komen de muskieten snel. Pensao Central heeft geen muskietennetten en ik kruip maar diep onder de lakens. Het tweepersoonsbed kreunt vervaarlijk en zakt nog wat verder door. Ik draai en draai maar ik kan geen positie vinden waarin ik comfortabel kan liggen. Een muskiet zoemt in mijn rechteroor. Ik zwaai ernaar met mijn hand. Het bed kraakt. Ik sta op en zoek mijn antimuggen stick en wrijf ook mijn oren in. Maar ik ben te laat, in mijn oor vormt zich al een bult. Het kreng heeft toch genoeg tijd gehad om te bijten. Ik ga weer liggen, doe het licht uit, ik draai en het gezoem rond mijn hoofd begint weer. Het bed heeft nu de vorm van een kuil en ik moet me er aan aanpassen. Ik ben nu helemaal bedekt met de lakens maar een mug vindt een vrije vinger en steekt.
Weer sta ik op. Het is half een en ik heb nog geen oog dicht gedaan. In het licht van de lamp zie ik niks. Ik besluit mezelf als prooi op het andere bed, een eenpersoonsbed, uit te zetten. De muskieten komen wel kijken maar ik ben niet snel genoeg om wraak te nemen. Het eenpersoonsbed is harder en comfortabeler dan het tweepersoons en ik verhuis. Ik pak ook de lakenzak, die ik bij me heb en ik verdwijn er helemaal in. Muskieten kunnen me nu niet meer vinden, maar het is heet in de zak. Het zweet loopt in stroompjes langs mijn lijf. Binnen een paar minuten is alles doorweekt. Maar als ik even mijn neus buiten de lakenzak toon, begint meteen het gezoem. Ik geef de voorkeur aan de natte hitte.
Om drie uur word ik weer wakker. Buiten de zak hoor ik gezoem, maar ze kunnen er niet bij. Mijn rug doet pijn omdat een paar veren in het matras kapot zijn en naar buiten steken. Ik vind twee posities waarin ik kan liggen zonder er last van te hebben, maar als ik slaap draai ik automatisch in positie drie, van kapotte veer naar kapotte veer.
Om halfvijf, na weer een uur slaap, moet ik naar het toilet. Dat betekent licht aan, kleren aan, schoenen aan. In de badkamer staat het water inmiddels een centimeter hoog, maar voor mijn bergschoenen gelukkig geen probleem.
Maar ik neem me voor om op de terugweg van Bubaque een ander hotel te kiezen.

De veerboot Sambuia naar het eiland Bubaque, in de Bijagos Archipel vijftig kilometer uit de kust, vertrekt de volgende middag om twee uur. Een uur voor vertrek ben ik aanwezig. Het is al behoorlijk druk op de boot. De Sambuia maakt de reis maar een keer per week en ze vervoert niet alleen passagiers maar ook vracht. Het schip heeft een redelijk voordek waar zo’n honderd mensen gestouwd kunnen worden, tussen kratten en stapels hout. Het achterdek is iets duurder, je kan er zitten op houten banken, hier vertoeven de blanken. Beide dekken zijn overspannen met zeildoek. In het begin is het dringen omdat iedereen een plaatsje zoekt tussen de rugzakken van de toeristen en de zakken, kisten en koelboxen van de locale bevolking. Verschillende verkopers bieden drank en eten aan. Lege bierflesjes, er is alleen Portugees bier in wegwerpflesjes, worden zonder pardon en massaal overboord gegooid. Een protest van een Amerikaans meisje, die voor het Peace Corps in Mali werkt, levert alleen verbaasde blikken op.
De boot vertrekt op tijd en in het zog van het schip drijven honderden Portugese bierflesjes.
Johnny, een Fransman van achter in de vijftig, grijnst als hij zijn flesje overboord gooit.
‘De bodem van de zee tussen Bissau en Bubaque is bedekt met flesjes.’
Op het voordek is muziek. Cubaans. De Portugese achtergrond van Guinea Bissau verloochent zich niet. Je hoort hier niet alleen Afrikaanse muziek maar ook Cubaanse en Braziliaanse.
Na een tijdje begin ik mensen te kennen. De Amerikaanse vrijwilligers van het Peace Corps uit Djenné, Mali. Op vakantie voor een paar dagen. De Australiërs Fiona en Andre uit Adelaide, natuurlijk.
Johnny, de Fransman, die een goedkoop hotelletje heeft op Bubaque.
Op het voordek is het dansen begonnen. Een zwarte vrouw heeft een jerrycan gevonden die haar bevalt. Ze drumt er de rest van de reis op. Ze staat voorovergebogen en houdt de jerrycan vast tussen haar voeten. Ze schuifelt tussen de dansers mee en slaat de meest ingewikkelde ritmes. Vrouwen, in kleurrijke Afrikaanse gewaden, dansen en zingen. Maar een paar mannen dansen mee.
Een voor een beginnen ook de blanken mee te dansen. Het bier vloeit, de zon daalt langzaam en het feest wordt heftiger.
Een jong meisje begint wat vaak in mijn buurt te verschijnen. Ze heeft een hartvormig gezicht, donkere amandelvormige ogen. Ronde billen en puntige borsten. Ze is heel jong maar de erotiek straalt van haar gezicht.
De jonge vrouw van het Peace Corps vraagt haar om haar leeftijd.
‘Dertien,’ antwoord ze en ze kijkt me indringend aan.
Johnny geeft me een les in Afrikaanse relaties. Hij werkte vroeger bij de Franse spoorwegen en was heel actief in de vakbond. Na zijn pensioen vertrok hij naar Afrika en heeft inmiddels een Senegalese vrouw, met wie hij samen het hotel drijft.
‘De vrouwen hier trouwen jong,’ legt hij uit. ‘Tussen zestien en achttien. Als ze een man kunnen krijgen. Er is een groot vrouwenoverschot en voor een vrouw die niet getrouwd is en in haar eigen onderhoud moet voorzien zijn maar weinig mogelijkheden. Er is geen werk, vaak is prostitutie de enige uitweg. Daarom accepteren vrouwen dat ze de tweede of derde echtgenoot van iemand worden. Maar het liefst hebben ze een blanke. Die heeft geld en behandelt ze ook nog beter.’
Vanaf de andere kant van het dek kijkt het jonge meisje me met haar amandelvormige ogen aan. Het gezang op het voordek wordt heviger, even later dans ik ook en gooi de lege flesjes bier overboord.


Bubaque

In het donker komen we op Bubaque aan. Ik ga met Johnny mee naar zijn hotel Cadjoco. Awa, zijn vrouw, heeft het eten al klaar. Schapenvlees en aardappelen, op zijn Afrikaans. Portugese wijn. Tafels tegen elkaar. Cadjoco is een paradijs in een paradijs.
Die avond slaap ik voor het eerst in tijden ongestoord. De eenvoudige kamertjes zijn heerlijk koel na de hitte van Bissau en Ziguinchor. Er zijn wel muskietennetten en amper muskieten. Het bed ligt heerlijk. Vlak voor ik in slaap val hoor ik in de verte trommels en vrouwen, die zingen. Ik realiseer me dat ook ik niet aan Afrika kan ontkomen.

Bubaque, tip


Cadjoco

Ik kwam Johnny al tegen in Bissau en daarna zag ik hem op de veerboot. Een oudere Fransman. Gepensioneerd en nu samen met Awa een hotelletje in Afrika in plaats van achter de geraniums. Nooit te oud om opnieuw te beginnen. Cadjoco is goedkoop en heel leuk. De pizza’s zijn er nog steeds erg lekker.

 

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>