Kansen

Bakau, Gambia, 19 – 26 januari 1997

Het is halfelf ‘s avonds, ik ben onderweg naar mijn hotel en ik hoor muziek uit de bar aan de andere kant van de straat. Dit is Bakau, Gambia, een toeristenstadje aan de Atlantische Oceaan. Hier zijn de grote toeristenhotels, waar wekelijks chartervliegtuigen nieuwe ladingen Europeanen afleveren voor een zonvakantie.
Ik besluit de bar, de Underground, te bekijken. Door een poortje en een donkere gang kom ik in een vierkante ruimte. Er is een grote bar en er staan wat tafels. Een man speelt darts.
Achter de bar staat een jonge vrouw. Blank, zwart lang haar. Ze is buitengewoon mooi. Ze draagt jeans en een T- shirt. Haar haar is gevlochten in een lange vlecht die tot halverwege haar rug hangt. Ik bestel een Grolsch bij haar.
Ray, de Schot, naast me op een kruk, heeft grijs haar, maar hij is niet veel ouder dan ik. Zijn accent maakt hem moeilijk te verstaan. ‘Ik werk hier aan het havenhoofd,’ vertelt hij. ‘Al bijna een jaar en het zal nog wel een jaar duren.’ Hij is kort en breed, een krachtige man. Hij drinkt bier. Heineken. Hier net zo goedkoop als Julbrew, het locale merk. De Underground is de stamkroeg van hem en van een behoorlijk aantal van zijn collega’s. Amerikanen en Britten.
Val, de mooie vrouw, is van Italiaans-Franse afkomst. De kroeg is van haar en haar partner, Sue, een aantrekkelijke Engelse van in de dertig. Sue heeft een lach van witte tanden. En ogen met een binnenpretje.


naar mijn zin in the Underground

Ik heb het naar mijn zin in de Underground. Het publiek is gemêleerd. Afrikanen. Europeanen en Amerikanen die hier tijdelijk werken. Een rijke Libanees. En maar een paar toeristen. Een bar uit vroeger tijden, toen Afrika nog koloniaal was. Een Afrika, dat alleen nog in boeken en films bestaat. Alhoewel. Sinds Gambia het toeristengoud heeft aangeboord, komen ze weer, de avonturiers, de mensen van het snelle geld, zwervers en outcasts. Een slim iemand kan hier snel geld verdienen.

Sainey ontmoet ik de volgende avond. Zijn bijnaam is Bill. Heeft hij zelf verzonnen, maar heeft daar nu spijt van. Hij is een Gambiaan, een Madinka, van drieëntwintig. Een vrolijke man, gespierd, een witte lach in een pikzwart gezicht. Hij werkt als barman bij de Underground, maar terwijl Sue en Val de klanten onderhouden, werkt Sainey op de achtergrond. Hij maakt de tafeltjes schoon, doet de bestellingen, maakt de rekeningen op. De Underground heeft nog een aantal andere Gambianen in dienst. Personeel is goedkoop hier.
Hoe heet je en waar kom je vandaan. Dat zijn de eerste vragen van Sainey. Maar na een tijdje ben ik het die de vragen stelt.
‘Heb je het hier naar je zin?’ Ik knik met mijn hoofd naar de bar.
‘Ja,’ zegt hij, maar hij kijkt bedenkelijk.
Even later krijg ik het eruit.
‘Ik doe hier de klusjes,’ zegt hij. ‘Zij zeggen wat ik moet doen en dat doe ik.’
‘Is het gemakkelijk hier om werk te krijgen.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Maar ik had goede papieren, van een vorig baantje wat ik gedaan heb, toen ik nog geen twintig was. Die heb ik laten zien en toen was ik aangenomen.’
‘Welke scholen heb je gedaan.’ Ik wil alles weten van deze man.
‘Lagere school, een tijdje middelbare school. Maar er was niet altijd geld. Mijn vader is boer en hij is niet rijk.’
Zijn stem wordt nadrukkelijker. ‘Ik verdien nu geld voor mijn familie. Mijn broer moet wel studeren. Ik betaal zijn studie, maar alleen als hij resultaten haalt.’
‘Heb je ook zussen.’
Hij knikt en ik begrijp dat hij er een aantal heeft. Als ik vraag hoe het zit met hun studie krijg ik geen antwoord.
‘Ik wil een eigen bedrijf,’ zegt hij plotseling.
‘Ja,’ vraag ik.
‘Iemand bij mij in het dorp laat containers met tweedehands goederen uit Europa komen. Fietsen, televisies, van alles.’
Hij zoekt even naar woorden. ‘De man werkt in een hotel, bij de receptie.’ Hij kijkt me aan. ‘Hij werkt samen met een klant, die de spullen opstuurt. En hij verkoopt ze hier.’
Sainey grijnst. ‘Hij rijdt in een BMW.’

Een paar dagen later ga ik met Sainey mee naar zijn dorp. Eerst tien minuten met een taxi naar Serekunda, het verkeersknooppunt van de Gambia. Een drukke stad met aan de rand ambassades, kantoren en villa’s. Het centrum is een warboel van lage stenen en houten gebouwtjes met golfplaten daken. Restaurantjes, woningen en kleine bedrijfjes. Langs de straten, het merendeel is niet geplaveid, zitten de vrouwen met hun waren. Groeten en fruit, kleding, schoenen, en nog honderden andere zaken. Tegen het eind van de middag is het enorm druk. Taxi’s en minibussen toeteren zich door het gedrang heen. Vrouwen dragen prachtig gekleurde jurken, een hoofddoek met hetzelfde motief. Stoere knullen in jeans. Maar zeker de helft heeft oude kleding. Kinderen met T-shirts waar de gaten groter zijn dan het stof.
Sainey manoeuvreert zich er snel doorheen. Ik moet me haasten om hem bij te houden. Een jonge man in zijn eigen stad. We stappen in een Japanse minibus.


markt in de Gambia

Na twintig minuten zijn we de buiten de stad, maar langs de weg gaat het ene dorp over in het andere.
‘Dat is mijn dorp,’ wijst Sainey na een tijdje en we stappen uit. Het is tegen zes uur, nog een uur tot zonsondergang, belangrijk tijdens de Ramadan.
We lopen over een stoffig zandpad. ‘Little desert,’ zegt hij. Aan beide zijden zijn de muren van de compounds. Als Europeaan ben ik hier een bezienswaardigheid. ‘Toebab,’ roepen de kinderen. Blanke. Sommige kijken me van een afstand aan, andere komen op me af en willen een hand. Door de kinderen wordt hier niet gebedeld.
Na een kwartier komen we bij de compound van de familie van Sainey. Ze hebben een flink terrein, gauw enkele hectares. Er lopen kippen en geiten. Hun huis is een laag stenen gebouw, met een schuin zinkplaten dak. Aan de voorkant is een veranda waar je ternauwernood kunt staan, er komen drie kamertjes op uit. Het geheel hangt een beetje naar voren. Seiney haalt een luie stoel uit het kamertje links.
‘Dat is mijn huis,’ zegt hij.
Een voor een komen zijn familieleden zich voorstellen. Zijn zuster van eenentwintig, die op bezoek is, met haar vier jaar oude dochtertje. Zijn broertje, twaalf jaar. Een magere boos kijkende vrouw van midden twintig schudt mijn hand. Een kind hangt in een doek op haar rug.
‘Mijn vaders tweede vrouw,’ zegt Sainey. Aan het meisje op haar rug besteed hij geen aandacht, maar een ander meisje, niet veel ouder, stelt hij voor als zijn tweede zusje.
Vlak voor zevenen komt ook zijn moeder. Ze is een vriendelijke vrouw, die me beleefd een hand geeft. Ze kijkt trots naar haar zoon. Ik realiseer me dat deze vrouw van ongeveer mijn leeftijd moet zijn, maar haar wereld en de mijne liggen ver uit elkaar. Sainey leeft in beide.
De radio wordt aangezet, en om vijf over zeven wordt het signaal gegeven vanuit de hoofdstad dat de zon onder is. De tijd van vasten is voor vandaag voorbij.
‘De man die dit zingt, is al jaren dood,’ zegt Seiney. ‘Maar nog steeds wordt zijn zang over televisie en radio gespeeld.’
De zus van Sainey komt met koppen thee, met heel veel melk. Ze worden met grote teugen leeggedronken. Als niemand kijkt giet ik de helft van mijn thee tegen een boom. Daarna volgt het verse stokbrood met een dikke laag boter, vlak voor zevenen bij een winkeltje gehaald door de jongere broer.
Het wordt nu snel donker en Sainey loodst me zijn kamer binnen. Hij steekt een kaars aan en ik realiseer me plotseling dat er hier geen elektriciteit is.
‘Misschien binnen twee jaar,’ zegt hij.
Als ik naar het toilet moet wijst Seiney naar een hoekje van de compound dat alleen vanuit zijn kamer te bereiken is.
‘Alleen urineren,’ zegt hij. De plek is duidelijk ingericht voor de Afrikaanse gewoonte om op je hurken te plassen, iets wat ik niet op dat moment wil uitproberen. Achterover hangend gaat het me toch goed af.
Hij heeft een drietal vrienden voor de avond uitgenodigd. Er volgt een beleefde voorstellingsronde. Ze willen weten hoe ik reis en daarna wat voor werk ik doe.
‘Computers,’ zeg ik. ‘De toekomst, ook in de Gambia.’
We praten over een handel in tweedehands computers. Die zijn goedkoop in Nederland, dus waarom niet exporteren naar een plek waar ze een tweede leven kunnen krijgen. Het gebeurt toch ook met auto’s, fietsen en televisies.
‘Ik ken iemand,’ zegt Sainey. ‘Die weet alles van computers. Ik ga morgen naar hem toe om te vragen wat hij er van denkt.’
Het is gezellig, we lachen veel, en de batterijradio zorgt voor Afrikaanse muziek. De zus brengt een grote schotel met een bonengerecht. Geen vlees. De bonen moeten met een stuk stokbrood uit de schotel geveegd worden. Ik probeer alles goed te doen en het smaakt aardig.
‘Ben je getrouwd,’ vraagt de vriend tegen over me. Een jonge slanke knul, hij heeft zijn overhemd en hemd uitgetrokken en zijn zwarte huid glimt in het kaarslicht.
‘Nee,’ zeg ik.
‘Heb je een vriendin,’ is het logische vervolg.
‘Soms wel, maar niet nu.’
‘Omdat je op reis bent,’ zegt hij.
Ik knik.
‘Ik wil je Hollandse vriendin wel,’ zegt de knul.
Ik begin het schrikbeeld van de Nederlandse vrouw te schetsen. Ze zijn goed opgeleid en accepteren geen tweede plaats. Ze doen niet aan Ramadan. Ze willen werken en verdienen vaak meer dan een man.
‘Toch wil ik haar wel.’
Het eten is inmiddels op en de tafel wordt afgeruimd. De vader komt binnen, net van zijn werk ergens op het land. Het is een vriendelijke man, zijn Engels is gebrekkig. Hij komt even bij ons zitten, maar het is moeilijk met hem een gesprek te beginnen, Hij heeft het kind van zijn tweede vrouw op schoot en knuffelt haar uitgebreid.
Ik bekijk hem. Hij heeft nog maar een paar tanden en hij ziet er oud uit. Twee vrouwen heeft deze man, realiseer ik me, en weer is er die enorme kloof.
Na een kwartier schudt hij weer uitgebreid mijn hand en verlaat de kamer.
Lamin, een andere vriend, begint te vertellen. Hij is groot, een kop groter dan ik. Breed. Gespierde kaken. Ik moet denken aan die oude Amerikaanse speelfilms waarin zwarten alleen maar slechteriken waren. Hij had zo mee kunnen spelen. Ik lach zachtjes over mijn eigen vooroordeel over de boze neger. Ze kijken mij vragend aan, ik leg het hun maar niet uit.
‘Ik heb vijf jaar voor de regering gewerkt,’ zegt Lamin. ‘Een goede baan. Maar op een gegeven moment kreeg ik van mijn vader wat geld en ik heb ontslag genomen.’
Hij kijkt peinzend in de verte.
‘Via Dakar reisde ik naar Mauritanië, Nouakchott. Ik wilde naar Europa.’
Sainey maakt ondertussen een melkdrank klaar, heet, met heel veel suiker.
‘Van Nouakchott reisde ik naar Tunesië. Daar nam ik het vliegtuig naar Kiev, in de Oekraïne.’
Hij zucht. ‘Maar ik had geen visum, ze stuurden me binnen een paar dagen terug.’
Sainey giet de melk van grote hoogte in kopjes en daarna weer terug in de pot. Hij herhaalt dit een aantal malen, de melk wordt dikker.’
‘Daarna reisde ik weer naar Nouakchott, om het via Marokko te proberen. Maar ook daar stuurden ze me terug. Toen was het geld op en ben ik naar de Gambia teruggekomen.’
‘Heb je weer werk,’ vraag ik.
‘Misschien kan ik volgend jaar mijn oude baan terugkrijgen.’
We krijgen de hete melk en het smaakt verbazingwekkend goed.
De avond vordert en met het gesprek over voetbal komt de uitgelaten sfeer weer terug. Ze willen alles weten van Willem II. Daar voetbalt de grote ster van het land.
Tegen tien uur vertrek ik, ik ga terug naar Bakau.
Sainey begeleidt me naar de hoofdweg. Het is donker in het dorp.
‘Daar is de elektriciteit,’ zegt hij en wijst naar een paar lampjes in de verte. ‘Misschien krijgen wij het al volgend jaar. Dan koop ik voor mijn familie een televisie en een video. En misschien een computer.’

Bakau

In Bakau ga ik nog even naar de Underground. Ik praat met Nederlanders, die zich in de Gambia gevestigd hebben.
‘Er zijn hier volop mogelijkheden,’ zeggen ze enthousiast.
De toeristenindustrie is bijna geheel in blanke handen, de hotels, de bars en de restaurants.
Ik denk aan Lamin, die zijn geluk in Europa wilde beproeven maar er niet in kwam. Veel jongeren hier zien Europa als het beloofde land. Want in Afrika voelen ze zich tweedehands, net als de auto’s. Maar als ze al Europa binnenkomen en als er al werk is, krijgen ze de rotste baantjes.
Even later vertrekken we met een groep naar het casino, ik speel voor het eerst in mijn leven blackjack. Uiteindelijk verlies ik vier gulden. Een Gambiaans dagloon.


vissers


straatbeeld

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>