Mauretanië, Connecties.

Nouadhibou 9 – 11 januari 1997
Nouakchott, 11 – 14 januari 1997

Het huidige Mauritanië bestaat 36 jaar. Het schafte in 1980, als laatste land ter wereld, de slavernij af. In 1989 woedden er ernstige rassenrellen tussen aan de ene kant Moren, een mix van Arabieren en Berbers, en aan de andere kant zwarte Afrikanen.
Negenen negentig procent van de bevolking is islamitisch.
In 1960 was de overgrote meerderheid van de bevolking nog nomadisch, maar inmiddels is dat percentage geslonken tot zo’n 15%.
En de Sahara rukt op, een proces dat al vele eeuwen aan de gang is.


markt in Nouakchott

De hoofdstad Nouakchott werd in 1960 gesticht, inmiddels wonen er meer dan een half miljoen inwoners, een kwart van de bevolking.
In een normaal land zijn deze statistieken niet zo belangrijk, maar Mauritanië is geen normaal land. Alles draait er om ras, kaste, afkomst, macht en connecties.

Een dag na aankomst in Nouadhibou, de tweede stad in Mauritanië vlak bij de grens met Marokko, bezoek ik de camping, waar een aantal van mijn konvooigenoten hun bivak hebben opgeslagen. Camping is een groot woord, het is een ommuurde ruimte midden in de stad. De auto’s staan er bumper aan bumper, geen wonder dat een andere groep besloten heeft om ergens aan zee te gaan staan. Fiete, de Duitser van wie ik een lift kreeg door de Sahara, staat er nog en we praten even. Maar eigenlijk ben ik op zoek naar Ali.
Ali is de campingbaas. Een Moor van rond de veertig, met een lichte huidskleur en een snorretje, niet al te groot, niet dik of dun, en als hij stil zou staan, zou hij volstrekt onopvallend zijn. Maar Ali staat nooit stil en kan alles regelen.
‘Hollandais,’ roept hij als hij mij ziet staan.
‘Ik wil naar Nouakchott,’ zeg ik. ‘Met de taxi.’
‘Ah, taxi brousse,’ zegt hij en even later zijn we onderweg. Zijn Renault 12 is zelfs voor Afrika een oud en gammel ding. Het rechtervoorwiel maakt een ontzettend kabaal. Verontrust wijs ik er naar.
Ali haalt zijn schouders op. ‘De auto moet binnenkort eens naar de garage.’
Na een paar honderd meter parkeren we midden op de markt.
Op een plein, tussen de kippen en de geiten, staan een tiental Toyota pick-up trucks.
‘Gare routière international,’ zegt Ali en stapt op een man af die op zijn hurken voor een winkeltje zit. Hij begint in het Arabisch te onderhandelen. Na een paar tellen vliegt Ali woedend overeind. Hij rent naar een andere man, een donkere Moor met scherpe trekken en een zwart puntbaardje. Ik probeer Ali te vragen wat er aan de hand is, maar hij wuift me weg. De onderhandelingen gaan verder, en het geluidsniveau stijgt. Van alle kanten komen mensen aangelopen.
Dan breekt Ali uit de cirkel en trekt me mee.
‘Viens,’ zegt hij opgewonden. Ik ga met hem mee.
‘Wat is er aan de hand.’
‘Dieven zijn het,’ sist hij en trekt me aan mijn arm langs een kraam met brood. De stokbroden ruiken heerlijk maar ze zitten onder de vliegen.
‘Hij vraagt achtduizend voor een plaats voorin, in de cabine, terwijl de prijs vijfduizend is.’
We gaan een winkel met snuisterijen binnen. In de verste wand is een deur naar een kantoor. Achter een leeg bureau, er staat alleen een telefoon op, zit een oudere heer met grijs haar.
‘Le patron,’ fluistert Ali en we stappen naar binnen.
Langs drie muren staan rechte stoelen en we gaan er op zitten, totdat de patron klaar is met een man in werkkleren. Zelfs Ali zit nu stil.
Na een paar minuten zijn we aan de beurt, de patron wijst op de stoelen voor zijn bureau. We schudden uitgebreid de handen.
Na een paar tellen informeel gebabbel, ik vertel dat ik uit Amsterdam kom, wijst de patron naar Ali. Terwijl Ali zijn verhaal doet, zet de oude heer zijn vingers tegen elkaar en luistert. Op een gegeven moment tilt hij even zijn rechterhand op en meteen houdt Ali op met praten. De patron roept iets naar een man die bij de deur staat.
Even later komt ook de man met het puntbaardje binnen. De patron geeft hem er van langs. Hij gebruikt vaak het woord Mauritanie
Daarna vertelt de patron mij dat mijn plaats mij vijfduizend ouguiya gaat koste, zoals het hoort, en dat ik die middag om drie uur mee kan, als er plaats is.

Om drie uur sta ik weer op het marktpleintje, met mijn rugzak, bij een van de winkeltjes. De man met het baardje wijst naar een stoep, waar ik kan wachten. Er zitten meer mensen. Moren in blauwe of witte boubou’s. Dikke zwarte vrouwen in felgekleurde jurken.
Op het pleintje rijden taxi’s toeterend rond. Er lopen geiten en ezels. Kooplui hebben hun waren, groente, rieten manden, vlees, brood, noem maar op, op de grond of in kramen uitgestald.
Het is Ramadan en niemand eet of drinkt. Het is stoffig en er zijn verschrikkelijk veel vliegen.
Om kwart over vier, als de taxi brousse op het punt van vertrekken staat, komt de man met het puntbaardje op mij af. Hij vertelt me dat er jammer genoeg geen plaats in de cabine voor mij vrij is. Natuurlijk kan ik wel op de laadbak, waar de meeste passagiers een staanplaats hebben. Vierentwintig uur stof en zand in je gezicht. Een beetje te ruig voor mij. Hij grijnst als ik vraag of er de komende dagen plaatsen voorin beschikbaar zijn en schudt zijn hoofd. Nee, ook de eerste paar dagen is alles gereserveerd.

Een half uur later sta ik voor de balie van Air Mauritanie. Er is nog plaats op de vlucht van halfzeven en een kaartje kost achtduizend ouguiya, tachtig gulden. Ik heb precies genoeg bij me.

Het vliegveld ligt vlak buiten het stadje, Ali brengt me er meteen naar toe. Hij heeft inmiddels het idee opgevat dat ik reisgidsen schrijf en is nu niet meer van mijn zijde weg te slaan. Hij wil beslist in de volgende editie van Lonely Planet. Ik beloof een goed woordje voor hem te doen.
Het vliegveld is niet erg groot en alle afhandelingen vinden plaats in een klein betonnen gebouw. Bij de balie laat ik mijn ticket zien. De man van Air Mauritanie loopt met zijn vingers langs de lijst.
‘U heeft niet gereserveerd,’ zegt hij en kijkt me meewarig aan.
‘Ik heb het een kwartier geleden gekocht.’
‘Nee, u kunt niet mee.’ Hij wil me mijn ticket teruggeven.
Ik begin te lachen en zeg nogmaals tegen de man dat ik het ticket een kwartier ervoor bij het kantoor van Air Mauritanie in de stad heb gekocht. Toen was er wel plaats.
Hij blijft koppig het ticket tegen me aanduwen, maar ik neem het niet aan.
‘Dan wil ik mijn geld terug,’ zeg ik in mijn beste Frans. ‘En een papier waarop staat dat ik niet mee mag.’
Er verzamelt zich een groepje om ons heen. De hele situatie werkt me op mijn lachspieren, en ik ga aan de omstanders uitleggen dat de ene Air Mauritanie niet de andere is.
Uit een kantoortje achter de balie komt een oudere man en hij roept iets. Plotseling heb ik een instapkaart en mijn bagage wordt ingenomen. Zonder smeergeld te betalen.


mannen in boubou’s Nouakchott

In de wachtruimte staan al een twintigtal mensen. Moren, maar ook een paar zwarte Afrikanen. Ik leun tegen een pilaar.
Een jonge man, als een van de weinigen westers gekleed, jeans en een overhemd, komt op me af. Hij stelt zich aan me voor. Ik versta de naam niet goed, het klinkt als Mustafa. Hij heeft een vierkant gezicht, kortgeknipt haar en een ringbaardje. Een mooie jongen. Ik vind hem meteen een griezel. Ik probeer zo kort en zo weinig mogelijk zijn vragen te beantwoorden, maar hij blijft maar om me heen draaien.
‘Ik krijg hier alles gedaan,’ zegt hij. ‘Mijn broer is de commissaris van politie in Nouadhibou. Ze kennen me hier allemaal.’
Hij loopt weg om een militair met veel sterren een hand te geven en komt dan meteen weer terug.
‘Dat is het hoofd van de beveiliging,’ zegt hij. ‘Ik ken hem, hij is een vriend van mijn broer.’
Ik zucht en laat het maar over me heen komen.
‘Ik zag dat je problemen bij de balie had,’ zegt hij plotseling.
Ik knik en haal mijn schouders op.
‘Ik zat in het kantoor en heb het toen voor je geregeld. Ik ken veel buitenlanders. Nederlanders ook. Allemaal vrienden.’

Een half uur te laat kunnen we ons opstellen voor de uitgang naar het platform. De instapprocedure is begonnen. Van alle kanten komen nog mensen aangelopen. Ik zie één andere westerling. We zijn met ongeveer veertig mensen. Tijdens het vormen van de rij breekt een ontzettend gedrag uit. Mustafa trekt me de rij in.
‘Hier gaan staan,’ sist hij.
Er vallen een paar klappen tussen een Moorse man en een zwarte vrouw.
Als de deur opengaat verhevigt het gedrang. Er wordt opgewonden geroepen en als de Moorse soldaat een zwarte vrouw met kind ertussen laat, wordt er gescholden.
Het is honderd meter naar de trap van het kleine propellervliegtuig. Mensen rennen. Ik maak me ongerust. Zouden er te veel plaatsen zijn uitreikt. Mustafa trekt me voort in de rij.
En dan ben ook ik onderweg naar het vliegtuig, ik neem grote stappen, maar ik wil niet rennen. Ik loop de vliegtuigtrap op en stap achterin het vliegtuig in.
De stewardess wijst me naar voren en ik vind een plaats bij het raam. Mustafa gaat naast me zitten.
Bij het vertrek blijken er nog tien lege plaatsen te zijn.

De volgende middag zit ik op het terras van mijn hotel in Nouakchott. Ik lees een boek. Plotseling staat Mustafa voor me. En ik dacht hem de vorige avond zo netjes geloosd te hebben bij de bagageafhandeling.
We schudden de handen.
‘Ik ken Richard, de eigenaar,’ zegt hij. Ik knik en herinner me plotseling dat ik hem verteld heb dat ik in dit hotel een kamer zou proberen te vinden. Stom.
Hij vraagt me wat ik die ochtend gedaan heb.
‘Ik ben naar de ambassade van Nigeria geweest,’ zeg ik. ‘Voor een visum. Maar ze geven alleen visa aan mensen die hier wonen. Daarnaast heb ik de markt bekeken.’
‘Ik ken iemand die de Nigeriaanse ambassadeur kent,’ zegt hij. ‘Die kan wel een visum regelen voor je.’
‘Dat hoeft niet,’ zeg ik.
Maar hij pakt mijn arm en trekt me mee. Ik laat me meesleuren.


plaatsje in Zuid Mauritanië

We stappen in een taxi en rijden naar een Libanees eethuis.
‘Heb je al gelucht,’ vraagt hij.
Ik schud mijn hoofd.
‘Ik ben ziek vandaag.’ Mustafa strijkt over zijn buik. ‘En dan hoef je niet aan Ramadan te doen.’
Hij bestelt een hamburger met patat en een cola. Ik neem een schawarma.
‘Vergeet dat visum maar,’ zeg ik tegen hem als hij terugkomt van het toilet.
‘Ik heb mijn vriend al gebeld,’ zegt hij. ‘Trouwens, ik heb ook iemand geregeld met wie je mee kan rijden naar Senegal. Gratis.’
Even later komt een man binnen en gaat bij ons aan het tafeltje zitten. Er worden handen geschud. Even praat de man met Mustafa en wendt zich dan tot mij. Hij is heel zakelijk.
‘Een Nigeriaans visum kost je 1500 franse francs.’ Vijfhonderd gulden.
‘Veel te veel,’ zeg ik en ik besluit bij mezelf dat ik hier geen zin in heb.
Hij praat weer even met Mustafa.
‘Vijfhonderd franc,’ probeert hij.
Ik schud mijn hoofd en als hij vraagt wat ik dan wil geven, zeg ik dat het veel minder is, de gewone prijs. En dat ik het eerst nog in andere landen wil proberen.
De man staat meteen op en verdwijnt naar buiten.
‘Geeft niks,’ zegt Mustafa. ‘Moet je nog geld wisselen?’
‘Nee. Ik ga terug naar mijn hotel. Ik moet nog een hoop doen.’
Zijn gezicht toont teleurstelling.
‘Je hebt toch wel een cadeau voor mij,’ zegt hij.
‘Waarom,’ vraag ik.
‘Ik heb zoveel voor je gedaan. Honderd franc maar.’
Ik lach hem uit.
‘Alsjeblieft, Adrie, een cadeau,’ .
Ik leg het geld voor mijn eigen eten op tafel en loop weg, naar mijn hotel.

 

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>