Agadir, Inshallah, als God het wil

Agadir, 25 – 28 december 1996

Agadir is een behoorlijk grote stad in het zuiden van Marokko. In 1960 werd het door een aardbeving verwoest waardoor alles wat er nu staat van een redelijk recente datum is. Een van de belangrijkste activiteiten in deze stad is het toerisme. Strandtoerisme. Iedere week komen de vliegtuigen met nieuwe ladingen zon en zee zoekers.


Agadir, het strand

Als ik er naar onderweg ben, met de bus vanuit Marrakech, komt een dikke, wat oudere man naast me zitten.
‘Agadir is geen Marokkaanse stad,’ zegt hij.
We raken met elkaar in gesprek maar zijn Frans en het mijne verschillen nogal, waardoor we moeite hebben elkaar te verstaan. Wel begrijp ik dat hij wil dat ik naar zijn stad kom en in zijn hotel ga verblijven. Het ligt vierhonderd kilometer de andere kant op, maar dat vindt hij geen bezwaar. Ik wel.
Als ik later door Agadir loop, ben ik ook op het andere punt met hem oneens. Agadir is wel degelijk een Marokkaanse stad. Moskeeën, winkels, restaurants, alles is typisch Marokkaans. En op straat kom ik hetzelfde ratjetoe aan mensen tegen dat ik ook in de andere grote Marokkaanse steden zag. Gesluierde vrouwen naast vrouwen in minirok. Mannen in een galabia naast mannen in jeans. En dan is er de groep mensen die aan je wilt verdienen, de waterverkopers, die met je op de foto willen, de gidsen, de verkopers van de pinda’s, sigaretten, snoep, broodjes, de kerstmannen met mombakkes (een bruine huid mag blijkbaar niet), allemaal even serieus en hardnekkig. Want net als in de rest van Marokko wordt er ook in Agadir weinig gelachen.

waterverkoper op jacht

En er wordt gebedeld. Overal. Van de achterafstraatjes tot op het strand. Door ouderen, door moeders met kinderen, door gehandicapten. Bedelen is niet gemakkelijk. Het is hard werken, van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. En ze hebben allemaal hun eigen invalshoek. De moeders sturen hun jongste kindje op je af. Bij de gehandicapten zie je stompen, vergroeide benen, verwrongen gezichten en blinde ogen.
Als Hollander heb ik het er maar moeilijk mee. ‘Niet schooien,’ leerde mijn moeder me. Je hand ophouden, dat doe je niet. Maar als rijke westerling niks geven, dat kan ook niet. Dus heb ik naast mijn hotel en mijn eten ook dagelijks een bedelbudget. Ik geef voornamelijk aan oude mannetjes en vrouwtjes en soms wat aan een gehandicapte. De bedelende moeders sturen hun kroost toch voornamelijk op de oma’s onder de toeristen af. En de man met het lamme been, die als een kieviet van toerist naar toerist hinkelt, heeft niets van me gekregen.

Aan het begin van de middag loop ik langs de boulevard. De zon schijnt, het is lekker warm en dat heb ik deze reis nog niet eerder meegemaakt. Tijdens de wandeling dwalen mijn gedachten ver af. Ik hoor de auto wel remmen en mijn oren registreren ook de zachte plof. Maar mijn benen wandelen gewoon door, mijn ogen blijven op de zee gericht.
Pas bij de schreeuw sta ik stil. Een vrouwenschreeuw. Een mensenwijfjes schreeuw. Die onder in de keel begint, rauw, en je bang maakt. En dan omhoog gaat en voor in de mond eindigt. Zo’n schreeuw die maar blijft duren.
Ik kijk naar de weg en zie het kind liggen. Een jongetje, een jaar of vijf. Ik bevries in de subtropische zon. Aan de overkant, op het terras, staat de moeder, een gesluierde vrouw, haar handen boven haar hoofd, mond wijd open. De auto staat een paar meter van het kind stil en het portier vliegt open. Maar een andere man, de vader?, is al bij het kind. Ik wil roepen, niet aanraken, laten liggen, maar hij heeft het jongetje al opgetild. En dan zie ik niks meer, want binnen een paar tellen, nog voor de schreeuw is weggeëbd, staan er tientallen mensen omheen.
Wat moet ik. Niks. En ik ga op een bankje zitten langs de boulevard waar dit is gebeurd. Achter me het strand en de Atlantische Oceaan. Voor me een drama. Twee Europeanen op het terras bestellen nog een koffie. En ik blijf kijken. Ramptoeristen.

‘Inshallah, het is de wil van God,’ zegt de student, die naast me op het bankje komt zitten.
Ik schud mijn hoofd. ‘Misschien had de moeder beter op het kind moeten letten, of de vader.’
De student kijkt serieus. ‘Nee, vanochtend vroeg was al bekend dat dit ongeluk zou gebeuren. Zo is het en het heeft geen zin om je daar tegen te verzetten.’
We gaan een kop koffie drinken en we praten over zijn studie Arabische literatuur en over mijn reis. Daarna vraagt hij natuurlijk om geld maar het is de wil van God dat ik hem niets geef.

Toch kan ik de schreeuw van de moeder niet uit mijn kop krijgen. Het was een ongeluk zonder schuldigen. Een automobilist die niet te hard reed. Een kind dat nog niet kan opletten. Een moeder die haar zoontje niet altijd in de gaten kan houden.
En ik herinner me het kind dat voor mijn bumper liep, een paar maanden geleden in Nederland. En de uitschuifbare arm met die hand die greep. Het meisje dat weggetrokken werd. Ik zie nog de beentjes en de onderkant van de schoentjes.
Vanavond neem ik een extra glas bier. Inshallah.

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>